is toegevoegd aan uw favorieten.

In dagen van strijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het was een heldere, zachte dag. Een vroolijke lichtschijn drong het vertrek binnen, waar diepe stilte heerschte. De non had zich even verwijderd. Helene bevond zich met haar gedachten alleen. De eenvoudige inrichting, de vreedzame kalmte, alles vormde een bijna onnatuurlijk contrast met den rijkdom en de drukte, waarin zij de laatste maanden had doorgebracht. Geen stappen te hooien die haar deden opschrikken, geen gelaat te zien dat zelfbedwang eischte, welk een vreemd, zalig gevoel! zij durfde nauwelijks de volle gewaarwording er van genieten, zoo ongekend kwam het haar voor. Zij opende het venster en dronk in lange teugen de frissche lucht in; ook buiten in den lommerrijken tuin was alles stil, geen met angst vernomen stem riep haar naam; «vrij, vrij !" jubelde het in haar hart en op haar lippen. Maar die toon stierf plotseling weg, en een huivering ging door haar leden, de koude der werkelijkheid greep haar aan. Het was een droombeeld dat zij had begroet, zij was niet vrij, die stille, vreedzame wereld was niet de hare; in de zalen vol feestgewoel, waaraan zij met afschuw dacht, was haar plaats, aan de zijde van den echtgenoot, die haar bedrogen had, maar onder wiens macht zij stond; hij zou haar terugroepen, en — zij moest gehoorzamen. Het was of de hemel zich verduisterde, de eenzaamheid verloor haar rust, en in een gevoel van hulpelooze ellende borst zij in tranen uit.

Op dit oogenblik legde zich een zachte hand op haar schouder. «Moet gij zóó het nieuwe leven begroeten?" sprak zuster Klara, «zeg mij uw leed; ik heb vele ongelukkigen gezien, die op geen uitkomst meer hoopten, en toch, redding en troost zijn tot hen gekomen."

Het was of die innigen toon Helene's lang teruggedrongen woorden ontboeide; snikkend, met halfgebroken stem, maar zonder iets te verbergen, bekende zij der non al wat geschied was, wat haar van Reinouts zijde had gedreven. Het was haar geheele ziel die zich in dat uur blootlegde; zuster Klara zag al haar liefde, haar strijd, haar afkeer en angst, zooals ze in die ééne bede zich oplosten: «laat mij niet tot hem terugkeeren!"

«Neen, mijn kind, met geweld zal niemand u van hier drijven; zoo gij vrede hebt met uw daad, niemand zal dien storen," antwoordde zij ernstig, «maar" — zij vatte Helene's hand en zag haar diep in de oogen — «bezit gij zulk een vrede? keurt gij uw vlucht ook thans nog, kalmer geworden, goed."

«Ik kon niet anders, ik kon het niet dragen; hij had mij gezien toen ik hulpeloos en verlaten was, hij wist dat hoop en geluk en liefde voor mij stierven als ik hem huwde, en de smart, die hij edelmoedig scheen te willen troosten, was zijn werk; hij die mij redden kon,