is toegevoegd aan uw favorieten.

In dagen van strijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoolang het vuur van ijdele fierheid had gebrand, smeekend op en zijn toon klonk vol roerend verlangen: «Agnete, breng mij de liefde van mijn zoon, breng mij zijn vergiffenis en ik zal God voor dit uur danken."

Zij hief de hand omhoog; iedere trek op dat stille, kalme aangezicht, schooner nu dan ooit in de dagen van haar bloeiende jeugd, sprak van belofte, van hoop en van troost.

De graaf zag dat beeld lang nog nadat zij verdwenen was en zijn hoofd zonk op de borst neer. «Liefde," zeide hij zacht; dat woord was haar beeld en 't was zijn oordeel, maar daarnaast weerklonk met troostenden klank een andere toon, en die luidde: «vergiflenis." Het was een gebroken, maar het was een beter man, die op dat oogenblik in het eenzame vertrek neerknielde, en die korte bede uitsprak; het was een hart, waarin voor 't eerst weer een straal van hoop den nacht van werkeloos berouw en doffe vertwijfeling, die er op gerust had, afbrak, dat daar ootmoedig neerboog.

Geen der duizenden, die Viale's naam op de lippen namen, vermoedde iels van die verandering. Geen ook, die de slanke, vrouwelijke gestalte, welke zooeven zijn huis verlaten had, zag voorbijgaan, dacht dat hier een overwinning behaald was, zoo zwaar als ooit op het veld van eer te behalen viel, en dat achter dat eenvoudige kleed een hart klopte, grooter dan dat van menigeen, wiens naam de bewondering zijner tijdgenooten met eerbied noemde.

Niemand vermoedde dat, maar zoo een alziende engel van menschendaden boek houdt, dan schreef hij, op het oogenblik dat de non van Umenonde Viale verliet, een der schoonste bladzijden, en boven haar plaatste ook hij dat woord, dat de graaf had gesproken: liefde.

Wel ons, zoolang er nog bladen zijn, waarop dat woord staat, zoolang de liefde op aarde nog een hemel sticht!