is toegevoegd aan uw favorieten.

In dagen van strijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Want de onderdrukking had haar gebaard, de trotsche dochter die liet onrecht harer moeder tracht uit te wissen; zij had het verzet in het aanzijn geroepen. Niet meer van enkelen, van allen die hun vaderland beminden, en Gode zij dank! in alle tijden van nood zijn dat de meesten, ging de tegenstand uit. De leus der vrijheid liep van mond tot mond; niet meer stil en verborgen, neen luid en dreigend begon die kreet te klinken. Bij de benden der Geuzen, die hem1 het eerst hadden aangeheven, voegden zich daaglijks nieuwe aanhangers, en zij vormden uit de ruwe plunderaars strijders, uit de ongeregelde scharen geoefende legertroepen. De edelen, wien het gelukte ^Alva te ontkomen, wierpen zich tot aanvoerders op, en de gemeene man gehoorzaamde zonder morren, want hij koesterde ditmaal geen argwaan, dat zijn adellijke leider hem misbruiken zou. Daar was één haat, één daad, één nood, één brood, één God, één lot tusschen hen, en de landman, die bij zijn verbrande hut stond, greep als broeder de hand van den edelman, die op de puinhoopen van zijn plat geschoten kasteel een vloek tegen de Spaansche dwingelandij mompelde. Adellijke bedelaars had de Spanjaard hen genoemd, en zij waren het; hun goederen behoorden den vreemdeling, hun burchten waren vernield, hun rijkdommen verbeurd; alles behoorde den vijand. Maar ook hun haat behoorde hem. Zij hadden door hem alles verloren, zij wilden ook alles op hem wreken. Een dubbele kracht woonde inde borst van hen, wier ademtocht zelf de tirannie met haar vloek had beladen, het was de geestdrift voor een groot algemeen denkbeeld, en de gloed van wilde, persoonlijke wraakzucht. Geen herbergzame' muren omsloten, geen veilig dak beschutte hen meer, hun namen waren gebrandmerkt en hun wapenborden gebroken, alleen de naakte grond van het vaderland was nog hun eigendom, en daarom ook rustte nooit het flikkerende staal in de toornig saamgeklemde vuist, die zich daarmee een nieuwen, een heldennaam verwerven zou.

Van alle kanten stroomden de troepen der opstandelingen, of liever, want dien naam verdienen zij, der bevrijders saam, en het was één doel, waarnaar zich allen richtten. De prins van Oranje naderde uit Duitschland, zijn broeders waren reeds op Nederlandsch gebied, en de vrijheid, die tot nog toe onzeker onder die verschillende korpsen had rondgezworven, wist nu waar haar legerkamp was, zij wist onder welken naam zij moest strijden. In gewone tijden is er tusschen het genie en de alledaagschheid nauwelijks een kloof zichtbaar, beide bewandelen hetzelfde pad, en of het genie tot de hoogste toppen zou kunnen opklimmen en in de wolken des hemels wandelen, wie vraagt daarnaar op den zandigen, rechten weg, dien het gaan moet, bedekt door het stof der aarde? Eerst wanneer het gevaar komt, wanneer