is toegevoegd aan uw favorieten.

In dagen van strijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Haar beelden drongen zich hem onwillekeurig op, terwijl hij zijn blik telkens onderzoekend heen en weer liet gaan, en zich daarbij aan de uitkomst herinnerde, op al de verwachtingen gevolgd, die hij eens in deze streken gekoesterd had.

De stem van zijn makker verdreef de schimmen, waarmee de eenzame weg zich vanzelf begon te bevolken, en waarvan ieder de gedaante eener teleurgestelde hoop of van een onbevredigd verlangen droeg. «Het grootste deel van onzen tocht hebben wij nu toch achter den rug, zeide deze, »en 'tis goed ook, wij kunnen niet veel manschappen missen; ze jubelen alsof er geen nood was, maar als wij de Spanjaarden nog dikwijls ontmoeten, zal Nassau geen hulp meer aan ons hebben."

«\\ ij zullen niet vallen, of hun lijken zullen naast de onze rusten, en als de vijand maar met ons sterft, zal het wél zijn; de dooden, die wij gemaakt hebben, zij zullen Nassau niet meer schaden,"' hernam Edward met zijn gewone bedaardheid; «doch ik geloof niet, dat wij vooreerst te vreezen hebben. Megen is te slecht van krijgsvolk voorzien om veel manschappen van de hoofdwegen te kunnen afstaan, en bij den naasten gevaarlijken post vinden wij kameraden om ons te helpen."

Zijn metgezel sloeg hem nieuwsgierig gade. «Gij hebt eens zeker niet gedroomd, dat gij als onze bondgenoot hierdoor zoudt trekken," zeide hij. «Megen was toen een beter vriend van u dan wij."

i>Ja. ik droomde het niet. Misschien ..." — die glimlach welke de lippen omspeelt, als de smart, die ze eens deed klagen, in berusting is overgegaan, een glimlach die, als de eerste matte zonnestraal op een landschap nog gedrenkt van zwaren regen, alleen in tranen spiegelt, vloog over Edwards gelaat — «misschien is dat gelukkig, wie weet of het anders wel tot werkelijkheid gebracht was. Ik heb zooveel iuchtkasteelen gesticht, die nooit op vasten grond werden gebouwd, dat ik niet veel vertrouwen meer in mijn droomen stel; het zijn droomen gebleven!"

«En hebt gij niets meer van Viale gehoord, hoe uw afval door hem is opgenomen?"

«Niets meer."

«Meent ge, dat hij u aan uw lot zal overlaten? Ik had gedacht, dat hij, als de eerste ergernis maar voorbij was, nog eens beproeven zou u weer onder zijn gezag te brengen; goed, dat hij het niet gedaan heeft, wij kunnen niemand missen."

Edward onderdrukte het bittere gevoel, dat bij die losse woorden door zijn ziel ging. Hij was zoolang de gunsteling hunner vijanden geweest, dat hij inzag niet te mogen verwachten, dat zijn nieuwe