Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weefsel van de bladeren der zaadplanten in de meeste gevallen uit tweeërlei vormen van cellen, uit veelarmige cellen, die het sponsparenchym en uit cylindervormige, die liet palissaden weefsel vormen, (afgebeeld in Fit/. 17 van de gekleurde Plaat). Die laatste cellen zijn vaak zoo kort, dat de lengteafmeting de middellijn der dwarse doorsnede niet veel in lengte overtreft; gewoonlijk echter zijn de cellen vijf- of zesmaal, ja soms zelfs tien- tot twaalfmaal zoo lang als breed. Bij bolgewassen liggen deze palissadevormige cellen evenwijdig met de oppervlakte van het blad; bij de meeste zaadplanten echter staan ze recht overeind, loodrecht dus op de bladschijf, zooals te zien is op de doorsnede van 't blad, daar aangeduid als van een Passiebloem, in Fig. 17 van de Plaat.

Een zeer eigenaardige gedaante hebben de groene, onder de huid liggende cellen bij de Pijn boom en en verschillende andere Coniferen. Zij zijn namelijk hoekig en plaatvormig en sluiten zonder tusschenruimten onmiddellijk tegen elkander aan. Van do aan de oppervlakte van het blad evenwijdig loopende wanden van iedere cel steken lijsten uit in de binnenruimte, waardoor elke cel in verscheiden, gewoonlijk even groote, nissen wordt verdeeld. Zulk een cel herinnert dan aan die paardenstallen, waarin de plaatsen voor de afzonderlijke dieren door houten wanden van elkander zijn gescheiden. Altijd ziet men de vooruitspringende lijsten zoo geplaatst, dat de geheele cel op een groep van palissadencellen gelijkt, welker zijwanden voor een deel weggebroken zijn. Deze lijsten, die, zooals gezegd is, bij vele Naaldboomen, maar ook bij Grassen en bij talrijke Hanunculaceeën, met name bij Aconitum, Monnikskap, bij de Pioenroos en de Dotterbloem, Caltlia, worden aangetroffen, vergrooten de binnenoppervlakte der cel, 't geen in zoo ver een voordeel is, dat er daardoor veel meer wandstandig plotoplasma met chlorophylkorrels plaats in kan vinden, dan in een cel van even grooten omvang, die zulke inspringende lijsten niet bezit.

Door zeer nauwkeurige onderzoekingen is bewezen, dat de hoeveelheid der in een cel, door ontleding van het koolzuur, gevormde organische substantie grooter wordt, naarmate het aantal chlorophylkorrels grooter is, aangenomen, dat deze in het lichaam van den protoplast zóó zijn gelegen, dat ze hun functie kunnen vervullen. Een opeenhooping van chlorophylkorrels, die zonder regelmaat de cellen vult, zou voor dit doel niet geschikt zijn; de kleine, groene orgaantjes, die wij chlorophyllichamen noemen, moeten juist zoo gerangschikt zijn, dat niet het een het ander van licht berooft, en dit is, vooral ineen uit vele verdiepingen bestaand en uit talrijke cellen samengesteld plantengebouw, liet best mogelijk, zoo de chlorophyllichaampjes de gedaante van korrels hebben, als de steenen van een mozaïek naast elkander gegroepeerd zijn en in die rangschikking tegen de wanden der cel zijn gelegd.

Indien dan bovendien door enkele deelen van den wand, als door vensters, liet licht ongehinderd in de cellen naar binnen valt, worden alle er zich in bevindende chlorophylkorrels bijna op dezelfde wijze bestraald en verlicht. Hoe grooter de oppervlakte der wanden is, des te meer chlorophylkorrels kunnen er plaats vinden en des te overvloediger wordt er in zulke cellen koolzuur ontleed.

Sluiten