Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eigenaardig gedragen zich de zaden der Orchideeën, niet name van die Oicli ideeën, welke op de schors van hoornen leven. Zij zijn buitengewoon klein, bestaan enkel uit een groep parenchymcellen, en van den aanleg van een worteltje of een zaadlob is geen spoor te zien. Zij behouden slechts zeer korten tijd hun kiemkracht. \ oor deze zaden, die niet al te best voorzien zijn van reserve voedsel, is het van belang, dat ze dadelijk na het verlaten der doosvrucht zelfstandig zich van voedsel uit de omgeving kunnen voorzien en uit dit voedsel organische zelfstandigheid kunnen vormen. Dat kunnen ze natuurlijk alleen met behulp van chlorophyl, en het is interessant te bespeuren, dat zij ook werkelijk met bladgroen zijn toegerust. Nog in den tijd, waarin ze zich in de vrucht van de moederplant bevinden, worden deze zaden groen, en als ze dan door luchtstioomingen in de een of andere spleet van de schors op een ouden boomstam belanden, kan het bladgroen dadelijk beginnen te werken. Na korten tijd wordt uit den groenen zaadkorrel een klein groen knolletje, dat zich niet wortelharen op de onderlaag vasthecht en langzamerhand tot een grootere plant uitgroeit.

(jroote bloemen, welker bladeren van 't begin tot het eind van den bloeitijd een groene kleur vertoonen, zooals bij voorbeeld die van Jacquinia, gelden als iets zeldzaams. Daarentegen zijn kleine, chlorophyl rijke bloemen een zeer gewoon verschijnsel. Ook de overgang in de kleur der bloemen van wit, rood, \ iolet en biuin tot groen, gedurende den tijd van den bloei, is meermalen waargenomen en dat zoowel bij kleine, als hij zeer groote bloemen. Een zeer opvallend voorbeeld hiervan levert de Kerstroos of Nieswortel, Helleborus "".Ier- Als haar bloemen opengaan, zijn de buitenste groote bladeren, die onder de tot kleine honigbakjes vervormde kroonbladeren ingeplant zijn, sneeuwwit en steken helder af tegen de donkere omgeving. Zij vallen insecten, die honig inzamelen, ook van verre in het oog en worden druk bezocht. Wanneer door bemiddeling der honigzuigende insecten de bestuiving heeft plaats gehad, zijn zoowel de kleine honigbakjes, alsook de groote, helderwitte buitenste bladeren, die als kelkbladen worden aangeduid, overtollig. De honigbakjes vallen spoedig af: de groote kelkbladen echter blijven en krijgen een andere taak te vervullen. In hun cellen ontwikkelt zich overvloedig bladgroen, de witte kleur verdwijnt, frisch groen treedt ervoor in de plaats, en dezelfde bloemdeelen die vroeger door hun in de verte zichtbare kleur de insecten hebben aangelokt, doen nu liet werk van groene bladeren, juist als de gewone organen van dien naam.

hen dergelijke kleurenwisseling, en wel met dezelfde beteekenis, neemt men ook waar bij verschillende orchideeën en lelieachtige gewassen; maar over t geheel genomen, komt zulk een verandering van functie bij bloemdeelen niet dikwijls \oor. Deze vluchtige aanduidingen toonen, dat bladgroen in alle onderdeden der planten kan voorkomen, al blijft het waar, dat voornamelijk de bladeren het groene weefsel bevatten, zoodat stellig bij 0(1 procent van alle chlorophyl houdende plantensoorten de ontleding van het koolzuur plaats heeft in de bladeren.

Sluiten