Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een deel, in den regenboog zich aan ons oog als verschillende kleuren voordoen, bij de vorming van organische stoffen in de plantencellen een zeer verschillende rol spelen. Onder den invloed der blauwe en violette stralen, dus die, welke de sterkste breekbaarheid en de kleinste golflengte hebben, wordt de oxydatie van die organische stoffen, die wij koolhydraten noemen, bevorderd, dus niet het ontstaan, maar de ontledingen omzetting ervan begunstigd. Omgekeerd werken echter rood, oranje en geel, dus die stralen, die geringe breekbaarheid en een groote golflengte bezitten; zij begunstigen de reductie van het koolzuur, bevorderen het ontstaan van koolhydraten uit het onverwerkte materiaal en nemen daarom het krachtigst deel aan het ontstaan van zulke organische zelfstandigheden.

Als de zonnestraal door een kleurloos glazen prisma gaat, ontstaat een doorloopend spectrum van violet tot donkerblauw, lichtblauw, groen, geel, oranje en rood. Laat men denzelfden zonnestraal door een doorschijnende, maar gekleurde stof gaan, onverschillig of deze vast of vloeibaar is, dan vallen geheele kleurgroepen van dit spectrum uit, er vertoonen zich op de daarvoor bestemde plaatsen donkere strepen, en wij zeggen dan, dat het licht van de bedoelde kleur door het kleurige voorwerp is geabsorbeerd. Als nu het chlorophyl het vermogen bezit, die kleuren van het spectrum te absorbeeren, die voor de vorming van organische zelfstandigheid uit de grondstoffen niet voordeelig zijn, dan zal die rol van het bladgroen niet genoeg kunnen worden gewaardeerd. Hierbij moet ook niet vergeten worden, dat veel lichamen het vermogen bezitten, lichtstralen van kleiner golflengte te absorbeeren en daarentegen andere stralen van grooter golflengte uit te zenden. Juist de kleurstoffen, die veel in planten voorkomen, in de eerste plaats weer het bladgroen, hebben dit vermogen, dat men fluorescentie noemt, en dus moet men aan het chlorophyl ook de beteekenis toekennen, dat het lichtstralen, die niet gunstig werken op de synthese van organische stoffen, kan omzetten in lichtstralen, die in deze richting zoo bevorderend mogelijk optreden. Als de fluoresceerende kleurstoffen der planten (chlorophyl, anthokyaan, phykoerythrine) de violette en blauwe stralen in gele en roode kunnen veranderen, heeft men het recht aan te nemen, dat hun werking ook nog verder gaat, dat ze namelijk stralen van kleine golflengte en sterke breekbaarheid, in de voor ons oog niet waarneembare stralen aan de andere zijde van liet rood. waaraan een zeer krachtige wanntewerking eigen is, omzetten, of met andere woorden, dat ze in staat zijn, licht in warmte te veranderen.

I)e beteekenis van het bladgroen bij de vorming van nieuwe organische stoffen zou dus eene drieledige zijn. Ten eerste een tegenhouden of uitdooven van die stralen, welke het ontstaan van de onder den naam koolhydraten bekende verbindingen zouden kunnen beletten, ten tweede de omzetting dor stralen met geringe golflengte in stralen met groote golflengte, die op de vorming van suiker en zetmeel, zooals de ervaring leert, het gunstigst werken, en ten derde de omzetting van licht in warmte en wel in waarneembare en daarna in zoogenaamde gebonden warmte.

Sluiten