Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«o Alpen ook \ as, Linum usitatissimum, uitgezaaid, een plant, die het rechts ïeeksche zonlicht zeer goed verdraagt en in liet dal, zoowel als in de vlakte liet best groeit op zonnige plaatsen. Maar het licht van de hooge bergen was voor de daar ontkiemde vlasplanten toch te fel, de bladeren werden geelachtig het chlorophy erin werd verwoest, en de plantjes gingen aan bleekzucht te' ®'° e. Het vlas heeft niet liet vermogen, in zijn bladeren een blauwe kleurstof te vervaardigen en het is evenmin erop ingericht, haren op de bladeren en stengels te ontwikkelen, of de cuticulaire lagen voldoende te verdikken, in één woord, zich te voegen „aar ,1e standplaats en zich bij toenemende lichtintensite't van doelmatige zonneschennen en lichtverzwakkende middelen te voorzien I erwijl daarnaast het boonenkruid, dat toch even veel warmte noodig heeft als het vlas en een even lange groeiperiode behoeft, ging bloeien en ook kiemkrach-

6 defd rijPen' het vlas gestorven, nog vóór het had gebloeid

lit «leze cultuurproeven blijken twee zaken; vooreerst dat zeer fel licht op ,1e verspreiding der planten invloed kan hebben en dat het veel planten een onoverkoii.elijken hinderpaal in den weg legt, en in de tweede plaats, dat veel planton liet vermogen bezitten, zich te voegen naar de verschillende graden van lichtsterkte, maar dan soms ten gevolge daarvan er zoo afwijkend gaan uitzien ,l;i( men ze voor andere soorten zou willen houden. Later zullen wij. bij de' liespreknig van 't ontstaan der soorten, nog terugkomen op deze uitkomsten der kweeking, hier maakten wij er alleen melding van, om den samenhang van som,n,ge kenmerken der planten met de omstandigheden in zake het licht aan

t°0l,en'en duidelijk te maken, lioe het komt, dat de rechtstreeks aan de zon > ootgestelde oppervlakten der bladeren zoo dikwijls roodachtig of violet Reklourd zijn. of wel geheel overdekt zijn met haren, terwijl de bladeren van , e zelfde soort, als zij zich op beschaduwde plaatsen bij diffuus licht hebben ontwikkeld, groen gekleurd zij, en bijna kaal blijven; hoe het komt, dat de planten van een en dezelfde soort in het diepe dal slechts weinig behaard zijn en dunne cuticulaire lagen bezitten, terwijl ze op de zonnige kammen van het hooggebergte in een dichte grijze of witte pels zijn gehuld of ten gevolge van dikke, cuticulaire lagen er stevig en bijna lederachtig uitzien. Om misverstand te voorkomen, moeten wij er echter hier reeds op wijzen, dat het baarkleed en de blauwe kleurstof ook nog aan andere opgaven hebben te voldoen, die eeist later meer uitvoerig zullen worden uiteengezet.

Bij bespreking der beschuttingsmiddelen voor het groene weefsel tegen de gevaren eener te ver gaande verdamping, waarvan in 1)1. 1 op blz. :!!).'> en volgende sprake was, werd ook gewezen op de v e rti c a 1 e plaats i n g der groene takken, wadtakken, pliyllodien en bladschijven. Daar zijn meer in het bijzonder de bladeren der L i ss c 1. een der zoogenaamde K o m p a s p 1 a n te n besproken, alsook de met de kanten naar liet zenith gekeerde bladschijven van sommige boomen en struiken en er werd ook de aandacht op gevestigd, dat de blaadjes van verschillende vlinderbloemigen en de bladeren van veel grassen door te gaan hangen

l'ch ,°P te richton of vouwen, tijdelijk een stand innemen, waarbij

met de breede, maar de smalle zijde door de stralen der middagzon wordt getroffen

Sluiten