Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schaduwstreep van een zonnewijzer, met den gang der zon gestadig voorwaarts en blijft slechts korten tijd op dezelfde plek.

Het binnendringen der zonnestralen tusschen de boven elkander staande bladeren wordt overigens ook in sterke mate door de richting der bladschijven beheerscht. Een van den stengel schuin naar boven uitstaand blad, welks middennerf in de richting ligt der opvallende zonnestralen, zal op geen enkel uur van den dag het licht voor zijn lager gelegen buren onderscheppen, veel minder althans dan een blad, welks schijf horizontaal uitgespreid en naar buiten een weinig hellend is, en dat de invallende zonnestralen opvangt op zijn breede zijde. Hieruit wordt een verschijnsel verklaard, dat bijzonder dikwijls zich voordoet bij kleine lage kruiden en planten met rechtopstaanden stengel. Als voorbeeld daarvan kan dienen de Thlaspi alpinum, de Al pen-Hoe rokers, op nevenstaande afbeelding in Fig. 2 weergegeven [een plantje dat ook ten onzent een enkele maal wel in het wild is gevonden]. De onderste bladeren van zulke planten vormen met de as van den stengel een rechten hoek en liggen met hun breede zijde op den grond, dien zij in grooteren of kleineren kring geheel bedekken. Zij kunnen dus natuurlijk het licht ïrtet afhouden van andere bladeren aan denzelfden stengel. I>e verder omhoog aan den stengel ontspringende bladeren zijn daarentegen niet meer horizontaal uitgespreid, maar een weinig opgericht en maken met den stengel een hoek, die kleiner is dan een rechte hoek, terwijl de bovenste stengelbladeren zelfs vrij steil zijn opgericht, zóó dat hun middennerf wijst in de richting der op den middag invallende zonnestralen. In overeenstemming met deze inrichting neemt men op verschillende hoogten van den opgerichten, bebladerden stengel ook een verandering waar van de afmetingen, met name van de lengte, der bladeren. De onderste, dicht bij den grond ontspringende bladeren zijn de langste, de verder naar boven volgende worden daarentegen in 't oog vallend korter en gaan in de buurt der bloemen vaak over in onbeduidende, tegen den stengel gedrukte schubben.

Veel planten brengen nagenoeg gelijktijdig aan het eind van een loot dicht opeen gedrongene, naar alle zijden gerichte bladeren voort. Indien de as van zulk een spruit zich niet ver boven den grond verheft, ontstaat een zoogenaamde blad rozet. Opdat alle bladeren van een rozet evenveel licht zullen ontvangen, is het noodzakelijk, dat de bovenste veel korter zijn dan de onderste. En zoo is het ook inderdaad. Toch zijn er verschillende opmerkelijke modificaties waar te nemen. Hij rozetvormige bladeren van vet pl anten, bij voorbeeld van de als sierplant wel gekweekte Kchererix en het bekende Huislook, Setupervivuw, en bij vele soorten van het geslacht tiaxifraga, Steenbreek, van welke Saxifragti Aizoon den teekenaar ten dienste stond bij Fig. 2 op ommestaande afbeelding, zijn de bladeren tong- of spatelvormig en in de nabijheid van het uiteinde ongeveer dubbel zoo breed als bij hun aan den verkorten stengel bevestigden voet. Nu is het onvermijdelijk, dat de smallere helften der onderste bladeren van de rozet door hooger staande bladeren worden bedekt en niet genoeg licht ontvangen. Maar deze bedekte smallere helften bezitten geen chlorophyl en hebben dus geen rechtstreeksch zonlicht noodig; de

Sluiten