Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

| de bij ons algemeen voorkomende] Polygonum amphibium of' Ho ode Veenwortel, Hydrocharis of Kikker kruid, Callitriche of Ha ar steng, en ook de |ten onzent wel gekweekte] Villarsia kunnen hiervan als voorbeelden worden gekozen. Onder de planten van drogen grond vertoonen in 't bijzonder veel Amarantaceeën deze groepeering der bladeren. Aan de opgerichte spruit van [de ook in ons land wel in het wild groeiende] Amarantus Blitum, de Uitgespreide Amarant, die in Fig. 1 op blz. 44 is afgebeeld, worden de stelen der onderste bladeren op de rij af achtmaal, zevenmaal, zesmaal zoo lang als die der bovenste. Zoo komt het, dat alle groene bladschijven dezer plant nagenoeg op gelijke hoogte zich kunnen uitspreiden, zonder dat het eene het andere in de schaduw stelt.

Ook bij tropische en subtropische planten, met name bij Aralia's Cecropia's en Waaier pa lm en wordt een dergelijke groepeering deibladeren waargenomen. Ziet men van boven neer op een Waaier palm dan aanschouwt men juist zoo'n bladermozaïek als bij Amarantus Blitum en Geranium I'grenaïcum. De oudste en onderste bladeren hebben de langste, de jongste en bovenste bladeren worden gedragen door de kortste stelen. Terwijl zich echter bij de ter vergelijking hier gekozen twee lage kruidachtige planten het mozaïek slechts kort in stand houdt, vertoonen Aralia's, Cecropia's en Waaierpalmen het hunne 't geheele jaar door. In dezelfde mate, waarin de stam dezer planten omhoog verder groeit, zich verlengt en uit zijn top nieuwe bladeren doet te voorschijn komen, sterven de oudere, niet meer voor verlenging vatbare bladeren af. De jongere, welker stelen intusschen een voldoende lengte hebben gekregen en welker bladschijven zich ontplooid hebben en grooter zijn geworden, treden in hun plaats. Zoo komt het, dat men hij deze planten een gedurende vele jaren schijnbaar onveranderd mozaïek van bladschijven door den stam ziet dragen.

Bij planten met langgerekte, opgerichte stengels en takken wordt overigens ook nog door een andere groepeering der talrijke boven elkander staande bladeren belet, dat zij elkander wederkeerig hinderen. Wij bedoelen, dat soms de bladeren den vorm aannemen van groene, tegen den stengel gedrukte schubben, zooals bij zooveel Coniferen, bij voorbeeld bij liet op de vorige bladzijde in Fig. 4 weergegeven takje van een Thuja wordt waargenomen. Hier kan dus enkel de achterzijde der kleine blaadjes door de zonnestralen worden getroffen. Dat is echter in de uitwerking juist hetzelfde als dat alleen de bovenzijde werd getroffen. Daar de kleine, groene, als schubjes tegen den stengel gezeten blaadjes als leien op een dak boven elkander gerangschikt zijn en liet grootste gedeelte van de achterzijden door do naastgelegene onbedekt blijft, kan ook trots de gedrongen plaatsing van een beperking van elkanders licht bij hen geen sprake zijn.

Niet zonder grond werd tot nu toe bij ieder der besproken gevallen erop gewezen, dat men aan bladeren van opgerichte stengels moest denken, en die omstandigheid moet hier nogmaals op den voorgrond worden gesteld; want bij horizontale takken zijn de omstandigheden geheel anders, en

Sluiten