Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is aan die der bovenste takken aan den top. Zulke takken en twijgen vertoonen dan een kromming, die te vergelijken is met een liggende letter S, dus zoo De Esschen en de Paardekastanjes, de Platanen, de Hemel-

boom (Ailanthus glandulosa), de Arve (Pinus cetnhra), zijn hiervan in 't oog vallende voorbeelden. Nog mooier vertoont zich het verschijnsel bij de Spar, waarvan de twijgen aan het einde der onderste takken zich dikwijls volkomen oprichten, zooals op nevenstaande plaat van de Gewone spar, Abics of 1'icea excelsa te zien is.

Hij een tweede groep van boomen en struiken, als welker voorbeeldde Zweedsche eschdoorn, Acer platauoides, kan dienen |dien de Duitschers „Spitzahorn" noemen | buigen zich de buiten den schaduwkring voortgroeiende takken niet omhoog, maar vormen zij rechtlijnige verlengingen van de door hen afgesloten benedenste takken der kroon, en zijn, als deze, öf evenwijdig aan den grond of buigen zich ernaar toe, zooals de afbeelding op blz. 4!) in verband met de vroegere op blz. 50 te zien geeft. Pij een derde groep, waarvoor de ('eltis (lustralis, een aan den Olm verwante boom uit Zuid-Europa, tot voorbeeld kan dienen, alsook de |bij ons algemeen bekende] Gewone- en Tros-vlier, Sambucus niger en rnccmosa, en de Sn eeuwbes, Sg mphori ca r/iitfs, vormen deze twijgen bogen, welker vrij einde naar onderen is gericht, zooals op de afbeelding van blz. 53 in Fig. :i en 4 te zien is.

Aan de vooruitgeschoven eindtakken van die boomen, die tot de eerste groep behooren, kan dezelfde rangschikking en stand der bladeren behouden blijven als aan de opgerichte takken aan den top; maar dat is niet het geval bij de vooruitgeschoven eindtakken van boomen en struiken der tweede en derde groep, welker bladschijven door de veranderde richting der hen dragende twijgen in den allerongunstigsten stand ten opzichte van liet invallende licht komen te staan. Voor de bladeren dezer takken is het dringend noodig, dat zij van stand veranderen en weer een doelmatige plaatsing aannemen. Dat geschiedt dan ook, en wel op vierderlei manier. Of er heeft een doelmatige draaiing plaats derstengelleden, of de bladstelen draaien zich, of wel de bladstelen draaien zich niet, maar hun helling ten opzichte van de bladschijf wordt een andere, of eindelijk enkele bladstelen worden buitengewoon veel langer, zoodat de door hen gedragen bladscliijven ver buiten de in de buurt zijnde uitsteken. Natuurlijk komen al die veranderingen ook dikwijls op verschillende manieren gecombineerd voor.

Wat de draaiing der stengelleden betreft, waarover reeds op blz. 41 werd gesproken, men neemt die waarbij Hazelaars, Heuken en Haagbeuken en vooral vaak bij boomen en struiken met kruiswijs geplaatste, kort gestoelde bladeren, als bij voorbeeld bij Kornoelje, Kamperfoelie en Sneeuwbes, (('orniis, Lonicera en Symjiliaricarji</«), en nog tallooze andere. De afbeelding op blz. 5:1 stelt in Fig. 3 een ongeveer tot op de helft verkleinden, opgerichten tak van Sgitijilioricarpus vulgaris voor. Zoodra zulk een tak in een boog naar beneden groeit, heeft in elk stengellid een draaiing plaats van !N>", en liet gevolg is, dat de bladschijven van alle bladerparen denzelfden stand ten

Sluiten