Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Evenals deze waterplanten gedragen zich ook veel moeras plan ten, die slechts gedeeltelijk en vaak maar tijdelijk onder water staan, welker op het water drijvende bladeren echter aan den eenen kant door water, aan den anderen door lucht aangeraakt worden, of welker bladschijven ook wel geheel boven den waterspiegel opgeheven zijn. De verandering in het waterpeil leidt wel tot een hoogeren of een lageren stand, een heffing of daling der drijvende bladeren, maar deze heeft plaats zonder dat de deelen in 't minst of geringst vertrokken of uiteengerukt worden. De stengels, alsook de stelen der bladeren, die uitgaan van een op den bodem van het water wortelende plant, gelijken alle op lange touwen en draden, aan welker boveneind de, tengevolge van het luchtgehalte lichte, maar betrekkelijk groote, dus voor het drijven goed ingerichte bladschijven bevestigd zijn. Hij den hoogsten waterstand staan de drijvende bladschijven loodrecht boven de in de diepte wortelende deelen, waarbij ze belmoren; daalt dan het water, dan dalen mee de op zijn spiegel drijvende bladschijven, terwijl ze gelijktijdig wat uiteen wijken. De stelen en stengels, die van een plant uitgaan, maken dan ongeveer dezelfde beweging, die men opmerkt aan de baleinen van een zonnescherm, dat men met de punt in den grond heeft gestoken en dan opent. Zoodra de waterstand liooger wordt, heeft natuurlijk de omgekeerde beweging plaats.

Veel moerasplanten, als bij voorbeeld de Waternoot, ï'my" natont hebben ook in de drijvende deelen hunner bladeren met lucht gevulde blazen, die dezelfde beteekenis hebben als die der wieren. Ook bespeurt men dikwijls tweeërlei groene bladeren aan die planten, namelijk ondergedokene, die juist zóó zijn gevormd als die der waterplanten, en drijvende, die aan de onderzijde door liet water en van boven door de lucht worden aangeraakt en die in bepaalde omstandigheden ook zonder nadeel geheel door lucht kunnen worden omgeven.

In uitgedroogde moerassen zouden lange, dunne stengels en bladstelen ver van voordeelig zijn: de meterlange bladstelen van de Waterlelie zouden de blad schijven niet opgericht kunnen dragen, maar zouden omvallen en knikken. Ook op den grond liggend, zouden die lange, touwvormige bladstelen niet geschikt zijn. Men ziet ook, dat al die moerasplanten zich dadelijk wijzigen, als het water zich heeft teruggetrokken. De pas ontwikkelde bladeren hebben nog maar korte stelen, en deze zijn dan zoo stevig en veerkrachtig geworden, dat ze de bladschijven goed kunnen dragen en hen in de voor hen gunstigste positie kunnen houden ten opzichte van liet licht. Hij den Rood en Veenwortel, l'ol;/(jouum mnphibium, ziet men ook, dat de lange stengels der watervariëteit, die aan hun boveneinde een groep drijvende bladeren dragen, vee! slapper zijn dan de korte stengels der landvariëteit, die van onderen tot boven

gelijkmatig met bladeren zijn bezet.

De groene weefsels, die rondom door lucht zijn omgeven, zijn tegenover de luchtstroomingen in veel ongunstiger conditie. Zij zijn ten minste aan het gevaar geknakt, gebroken en afgescheurd te worden, in \eel erger mate blootgesteld dan die, welke geheel of gedeeltelijk in water ondergedoken leven.

Sluiten