Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eCns wijder, dan weer enger, al naarmate de wind \an deze of gene zijde komt. Bij stil weêr neemt zulk een blad in zekeren zin een gemiddelden stand aan. Ai wordt dan de boog bij bewogen lucht wijder of nauwer, in geen geval is de daarbij plaats vindende kromming zoo sterk, dat de bladschijf zou kunnen worden gebroken. Buitendien zijn deze bladeren door een voldoende tusschenvoeging van bastbundels zoo stevig geworden, dat zelfs hevige stormen hun niet

veel kwaad kunnen deen.

Bij deze grassen met boogvormig overhangende, lintvormige bladschijven komt het ook voor, dat alle bladeren naar denzelfden kant zijn gekeerd, zoodat ze bijna een dergelijk gekamd aanzien hebben als dat van 't riet, ofschoon hun scheeden niet 0111 de halmen kunnen draaien. Men merkt dat vooral op, als de planton aan een boschrand of op hot smalle terras van een steile rots staan, dus op punten, waar ze maar van ééne zijde licht kunnen krijgen. Die eenzijdige stand der bladeren hangt samen met de verlichting en vloeit daaruit voort, dat een tegen het donkere woud of tegen den schaduwgevenden rotswand in een halven boog gewend blad daar niet voldoende licht zou ontvangen. Zulk een blad draait en buigt zich daarom naar het licht, wat nu natuurlijk eene omkoering van de bladschijf ten gevolge heeft en wel zoo, dat de oorspronkelijke achterzijde van het blad tot bovenkant wordt.

Het behoeft niet te worden herinnerd, dat al deze beschuttende inrichtingen der bladeren, tegen de nadeelen, die voor hen uit een sterken windstoot zouden kunnen voortvloeien, tegelijk ook beschermen tegen den stoot der regendroppels. Evenzoo spreekt het vanzelf, dat niet enkel bij bovengenoemde grassen met boogvormig overhangende en gedeeltelijk omgedraaide bladeren, maar ook bij schroefbladeren, buisbladeren, langgesteelde, vlakke bladeren e. d. de verhouding tot het licht een niet minder gewichtigen vormbepalenden invloed heeft. Laten wij deze verhouding hier thans onbesproken, dan geschiedt dit niet, omdat wij die in dit geval van minder belang oordeelen, maar omdat een eenigszins helder inzicht in deze uiterst ingewikkelde verhoudingen, slechts door een stuksgewijze behandeling verkregen kan worden.

De middelen tot bescherming der bladeren tegen de aanvallen van dieren.

I)e bladgroenhoudende weefsels zijn do plaatsen, waar koolhydraten en stikstofhoudende verbindingen worden vervaardigd, en bevatten dus het belangrijkste voedsel der van plantenkost levende dieren. Ze zijn daarom ook ten allen tijde blootgesteld aan de aanvallen dezer dieren. Daar echter de chlorophylhoudende weefsels ook voor de groeiende plant zelve onontbeerlijk zijn en hun verlies groot nadeel voor de plant zou meebrengen, ja wel het sterven ervan zou kunnen tengevolge hebben, is er tusschen dieren- en plantenwereld een zekere tegenstelling op te merken, en het lijkt wel, alsof dieren en planten vijandig tegenover elkander staan. Intusschen is deze vijandschap niet altijd zoo

Sluiten