Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als men die zuilvormige, platte of kogelvormige Cactaceeën en Ephorbiaceeën aanziet, komt de vraag bij ons op, of het nog noodig is, dat zij zich met zulk een gecompliceerd doornenpantser omgeven. Naar de gewone opvattingen omtrent de opneming van voedsel door de op plantenkost aangewezen dieren, zou men meenen, dat die groene klompen, zuilen en kogels ook zonder het afschrikkend wapenmateriaal volstrekt niet een geliefd voedsel zouden uitmaken. Ziet men ze echter op hun natuurlijke standplaatsen, dan wordt het op zijn minst begrijpelijk, dat zij allo reden hebben, zich te beschutten en te weer te stellen.

Wanneer op de steenachtige en zandige vlakten en hellingen, die de woonplaats dier Nopal-gewassen vormen, alle andere planten reeds lang verdroogd zijn er heinde en ver geen groen blad meer te zien is, als alle waterbronnen zijn opgedroogd en maanden lang geen drop regen den grond heeft bevochtigd, blijven deze Nopal-planten nog steeds sappig en groen, en met behulp van hun centraal waterweefsel kunnen zij zelfs de grootste droogte, ooit ergens op aarde waargenomen, weerstaan. In zulke perioden van droogte moet echter voor de hongerige en dorstige dieren elke cactuskogel een lafenis, ja menigmaal de eenige uitredding zijn. Ondanks de verschrikkelijk dreigende doornen, waarvan de cactussoorten vol zijn, worden zc in de vlakten van Zuid-Amerika ten tijde van de grootste droogte door de wilde ezels opgezocht en door hoefslagen zoo mogelijk ontworteld, om van den ongewapenden benedenkant uit bij het saprijke weefsel te komen; of wel de genoemde dieren zoeken de cactussen met hun hoeven te splijten en op die wijze het inwendige toegankelijk te maken, waarbij het echter menigmaal gebeurt, dat de aanvallers zich aan de doornen kwetsen en gevaarlijke wonden opdoen.

Naast de Cactaceeën en Euphorbiaceeën vertoonen zeker de lage Tragacanthstruiken, dat zijn de Astragaleeën uit de groep der Tragacnnthacea?, die in een onuitputtelijke veelheid van soorten in 't Oosten op rotsige hoogten en hooggelegen steppen inheemsch zijn, de merkwaardigste doornvormen. Wij nemen uit het groote aantal één soort dier vlinderbloemige gewassen, die de Tragacanth, een gomsoort, leveren, namelijk Astmgalus Tragacantha, als voorbeeld 011 geven de afbeelding op blz. 96 in Fiij. I. Beschouwt men deze plant zeer vroeg in het voorjaar, dan ziet men aan het vrije uiteinde van eiken tak een krans van talrijke, grijze, dorre, lange doornen, die hun punten naar boven en naar buiten richten. In het midden van den krans van doornen ligt een knop, die den top en de afsluiting van den tak vormt. De voorjaarswarmte brengt dezen knop tot ontwikkeling; de dicht samengedrongen, gevinde blaadjes scheiden, strekken en ontplooien zich, maar er verloopen weken en nog steeds zijn de blaadjes met den doornenkrans omgeven. Men ziet ze enkel achter de lange dorens als achter grijze tralies van een kooi groen doorschemeren.

Als ze volkomen uitgegroeid zijn, en als zich ook het eind van den tak. waaraan ze gezeten zijn, een weinig heeft verlengd, steken eindelijk de bovenste blaadjes van het gevinde blad boven de punten der doornen uit; maar zie daar, het eindblaadje, dat aan de steel van elk gevind blad had gezeten, is reeds

Sluiten