Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

drie richtingen naar huiten. Als nu in het volgend voorjaar de knop aan 't eind der korte loot opzwelt en jonge, zachte bladeren eruit te voorschijn komen, dan zijn deze gedurende den tijd, waarop de punten der drieledige dorens boven hen uitsteken, voortreffelijk beschermd tegen grazende dieren.

Bij de in den regel Acacia genoemde Robinia Pseudacacia, maar buitendien nog bij vele andere Robinia's, alsook bij verscheiden Siberische Caragana's met name bij Caragana microphylla en pygmaea, zijn het niet geheele bladeren, die tot doornen worden, zooals bij de Berberis, en ook geen bladstelen, zooals bij de Astragalussoorten of Tragacanthheesters, maar steunbladeren. Daar, waar het blad van den stengel uitgaat, staan rechts en links bij Vlinderbloemigen vormingen, die men met het oog op hun stand als stipulae of steun blaadjes moet beschouwen. Deze zijn nu bij de Kobinia's en de genoemde Caragana's niet bladachtig, maar zij zijn geworden tot driehoekige, in een scherpe punt uitgerekte, bruine doornen. Als in den herfst het blad loslaat en valt, dan blijven de beide in doornen gemetamorphoseerde steunbladeren aanwezig en blijven daar den geheelen winter door, ja, ook nog den volgenden zomer. In de ruimte tusschen de beide onder een hoek van 120° uiteen wij kende steunblad-doornen ligt een knop, en deze komt in t volgend voorjaar tot ontplooiing. Ook hier beeft men een dergelijke bescherming, als vroeger bij de Berberis werd beschreven. Zoolang de jonge, zachte bladeren in de nis tusschen de beide doornige steunbladeren liggen, (zooals op de afbeelding van blz. 96 in Fig. 4 te zien is) worden ze door de dieren zorgvuldig vermeden en eerst dan, als ze den ouden, in doornen veranderden steunbladeren over het hoofd zijn gegroeid, is het uit met de bescherming.

Bij de tot do Cucurbitacew of Komkommerachtige planten behoorende Zuidafrikaansche Acanthosicyos horrida, de zoogenaamde „Narasplant", (afgebeeld in Fig. 1 op blz. 99), zijn wel evenals bij de Kobinia's de steunbladeren in doornen veranderd, maar hier kan van een beschutting der bladeren bijna geen sprake zijn. Heeds het eerste boven de beide groote zaadlobben volgende blad heeft een zeer kleine bladschijf van nauwelijks (i millimeter lengte en 2 tot 3 millimeter breedte. Het tweede is nog kleiner en de verder opwaarts van de loot uitgaande zijn geworden tot kleine schubjes, dje als voedsel voor weidende dieren niets beteekenen. Aan de stengels der uitgegroeide planten bespeurt men dus eigenlijk niet anders dan doornen en de zeldzame plant krijgt eenige gelijkenis met de op blz. 407 van Deel I afgebeelde Colletia. Bij deze zijn de vertakkingen van den stam, bij Acanthosicyox de steunbladeren in wapens veranderd. Wat in beide gevallen tegen de aanvallen van dieren wordt beschermd, zijn in de eerste plaats de onderste doelen deidorens zelve! Deze zijn namelijk groen, hebben liet vermogen te assimileeren en zijn voorzien van een saprijke weefsellaag, die voor dieren, welke honger hebben, in streken, waar geen overvloed van planten voor ben beschikbaar is, altijd nog wel de moeite waard kan zijn. In de tweede plaats worden dan ook nog de kleine knopjes beschut, die bij Acanthosicyos tusschen elk paar groote, groene dorens uit de as te voorschijn komen.

Sluiten