Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het bedoelde internodium als woning en legt er haar eieren. Het gat in den wand sluit zich weer door een woekerend weefsel, welks saprijke cellen door het nu volkomen ingesloten wijfje als voedsel worden genuttigd. Later, als zich uit de eieren en larven arbeiders hebben ontwikkeld, wordt door deze liet gat weer opengemaakt. Ook in de tusschenschotten, die de boven elkander geplaatste holten van den stengel scheiden, worden gaten gebeten, zoodat steeds meer van die vertrekken met elkander in verbinding komen te staan.

De holten vormen nu de woningen van tallooze beschermende mieren. Het voedsel, dat bun door Cecropia wordt geboden, ligt aan de buitenzijde der zeer korte, maar opvallend verdikte bladscheede. Men bespeurt daar reeds aan het nog zeer jonge blad, dat pas zich van 't omhullend vlies heeft bevrijd, een wit verhevenheidje in den vorm van een dwars geplaatst ovaal (zie Fig. 4). Dit knobbeltje wordt weldra tot een kussen, dat bezet is met witte bolletjes, als met insecteneieren, afgebeeld in Fig. 5 en »i. Ziet men nauwkeurig toe, dan blijkt, dat daar in een eigenaardig weefsel celgroepen in de gedaante van zeer kort gesteelde bolletjes worden gevormd. Wanneer deze celgroepen, naar hun ontdekker Müllersche li c h a a m p j e s genoemd, de middellijn van bijna één millimeter hebben bereikt, raken ze los van hun steeltjes, vallen echter niet dadelijk af, maar blijven nog korten tijd op het kussen achter. Naast de bolletjes komen uit het weefsel van het kussen ook zeer talrijke haren te voorschijn, die in bun benedengedeelte als een parelsnoer zijn ingesneden, maar naar boven worden afgesloten door een spitse, zich verlengende, dunne cel, als door een kafnaaldje, zooals in Fig. 5 te zien is. Tusschen die haren blijven de kogeltjes nog eenigen tijd hangen, maar vallen ten slotte af ten gevolge van de drukking der volgende te voorschijn groeiende bolletjes, of door den een of anderen stoot.

Daar deze bolletjes in hun cellen voedzame stoffen, met name eiwitachtige verbindingen, vet enz. bevatten, vormen zij een zeer gezocht voedsel voor de beschermende mieren, en daar de vorming dier bolletjes een langen tijd voortduurt, zijn de kussens aan de achterzijde der dikke bladscheeden steeds van versch voedsel voorzien.

De beschermende mieren komen in groot aantal tot de voor ben rijk gedekte tafels, houden zich echter ook in de buurt daarvan aan den stengel, de bladstelen en bladschijven op. Klaarblijkelijk houden zij de wacht bij de bladeren, aan welker voet de voedselleverende kussentjes en bij de stengels, in welker holten veilige woningen zijn ontstaan. Het is immers in hun belang, elk gevaar af te wenden, dat de Cecropia's bedreigt, omdat de vernietiging van deze planton met hot verlies van bun woning en hun voedsel gelijk zou staan. Hij elke verdachte beweging in de bladerdragende kroon komen zij uit de door hen bewoonde ruimten te voorschijn en stellen zich in staat van tegenweer. Komen bladsnijdende mieren in 't gezicht, dan worden die overvallen en op de vlucht gejaagd. Feitelijk blijven de bladeren van die Cecropia's, waarop zich deze krijgshaftige wachtmieren hebben gevestigd, vrij van bladsnijders.

De tweede, als voorbeeld van de door mieren gegeven bescherming van het

Sluiten