is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vocht hebben te bewaren, later in verdorden toestand zich nuttig maken voor de verspreiding van vruchten en zaden; bij bladeren daarentegen is deze verwisseling van functie betrekkelijk zeldzaam en wordt zij bijna alleen waargenomen bij planten der steppe en uit de Middellandsche flora.

Dat de beschermende inrichtingen, die het groene weefsel behoeft, om beveiligd te zijn tegen een te ver gaande verwoesting door dieren, ook op het gezellig voorkomen en op het samenleven en de verspreiding van planten en dieren invloed hebben, laat zich al van te voren verwachten en wordt door tal van waarnemingen bevestigd. Verplaatsen wij ons eens in een streek, waar honderden soorten van planten naast elkaar opschieten. De heesters en de overblijvende en één- en tweejarige kruiden, zooals ze bont door elkander groeien, bevatten de meest verschillende stoffen; enkele zijn overvuld met melksap, andere zijn zoo bitter als gal, weer andere smaken afschuwelijk zuur of zij bergen in hun vochten alkaloïden, waardoor het gebruik als voedsel veel dieren den dood kan aandoen. Hier is een plant met brandbaren gewapend, daar grijnzen uit een heestergroep tallooze doornen, en weer op andere plaatsen steken distels hun scherpgepunte bladeren naar buiten. De celinhoud van deze plant houdt slakken terug van 't afknagen der bladeren; die van gene plant schrikt rupsen en sprinkhanen af en die van een derde geiten, van een vierde paarden en zoo voort. Gesteld het geval, dat het terrein, dat deze rijke vegetatie droeg, tijdelijk geheel was afgesloten voor alles, wat daar kruipt en vliegt, maar dat er daarna plotseling een groote zwerm of een geheele kudde van één diersoort kwam opzetten, tegen welker aanval een deel der plantensoorten zoo volkomen mogelijk, een ander gedeelte slechts een weinig en een derde groep in 't geheel niet beschermd was. Wat zou het gevolg zijn? De laatste zullen geheel of voor een deel afgeweid worden, de eerste daarentegen blijven onaangeroerd. Wordt zoo iets vaak herhaald, dan wordt langzamerhand de eeno soort van planten daar verdrongen, zij sterft uit en verdwijnt, en de andere daarentegen zal zich in overweldigende hoeveelheid op het bedoelde terrein ontwikkelen.

Op deze manier wordt ongedwongen verklaard de eigenaardige samenstelling der vegetatie op plaatsen, waar geregeld weidende dieren komen opdagen. Ieder, die de Alpen bezoekt, wordt erdoor getroffen, dat in de omgeving der herders- of Sennhutten uit den sterk bemesten grond een plantenwereld opschiet, die ongemeen weelderig is en er allerverleidelijkst uitziet, terwijl toch de grazende dieren haar onaangetast laten. Het zijn niet de herders, die het afvreten van al die weelderige kruiden den dieren beletten en onmogelijk maken. Zij behoeven dat niet te doen, want do dieren, die daar grazen, houden eenvoudig niet van die planten, zij verafschuwen ze. Gewoonlijk bestaat die plantengroei uit soorten, die vergiftig zijn of waarvoor de dieren terugschrikken of die hen bij aanraking kwetsen, bij voorbeeld uit Onze Vrouwenmantel of Gelobde Leeuweklauw, Al cl/cm Ma mlgaris; Monnikskap, Aconitum Napellus; Goede Hendrik, Chenopodium Bonus Hcnricus; de Groote Brandnetel, l'rtica dioica en de reeds vroeger genoemde soort van Vederdistel, Cirsium