is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verandert de cellulose dikwijls in een kleverige, vormlooze, bruingele, barnsteenkleurige massa, die uit de spleten der schors te voorschijn komt, verhardt en onder den naam kersegom, cerasine, bekend is. Op dergelijke wijze vormt zich uit de cellulose in de stammen van eenige acacia's arabische gom ot (trahitte, en in verschillende gomstruiken, tot de Astragalm-soorten behoorend, tragacanthgom. De wasachtige afscheidingen van de opperhuid, die vroeger bij bespreking der verdamping werden vermeld, ontstaan ook uit cellulose.

Niet enkel aan den buitenkant, ook op bepaalde plaatsen in het inwendige van zijn lichaam bouwt de protoplast, uit een deel van het eerste koolhydraat, cellulose op. en wel altijd samen met een ander koolhydraat, de zoogenaamde ,/ranulosr. Cellulose c>n granulose, op 't innigste met elkander verbonden, doen zich voor in de gedaante van korrels en dit mengsel wordt zetmeel of amylum genoemd. De zet meel kor reis behooren tot den meest verbreiden inhoud der cellen, komen geregeld reeds voor in do chlorophylkorrels en worden van de plaats, waar zij ontstaan, overgebracht naar alle deelen der plant, wat echter alleen mogelijk' is, doordien het vaste, reeds gevormde zetmeel door middel eener hulpstof, de later nog te bespreken ilinstase, telkens vloeibaar wordt gemaakt,

als het uit de eene cel in de andere overgaat.

In vele weefsels wordt het zetmeel zoozeer opgehoopt, dat de cellen geheel met de korrels zijn volgepropt, zooals de afbeelding op blz. 115 in lig. i en 12 laat zien. Zetmeel behoort tot de allerbelangrijkste reservestoffen, dat is tot die stoffen, die niet dadelijk na hun ontstaan worden verbruikt, maar voorloopig in voorraadschuren of bewaarplaatsen van reservevoedsel opgehoopt worden, om eerst later, als er behoefte bestaat, op de daarvoor geschikte plaats te worden in gebruik genomen. Het zetmeel kan in zaden jaren lang onveranderd, als dood, aanwezig blijven ; als echter het zaad ontkiemt en de kiem gaat uitgroeien, wordt het zetmeel vloeibaar. Het gaat daarbij over in een ander koolhydraat en ten slotte wordt het in de groeiende kiemplant door een nieuwe omzetting bij

den opbouw der celwanden gebruikt,

De in de verschillende plantensoorten gevormde zetmeelkorrels zijn zoowel naar hun grootte als naar hun vorm zeer verschillend. De meeste grootere zetmeelkorrels vertoonen onder het microscoop afwisselend eenigszins roodachtige en blauwachtige kringen, 't geen men toeschrijft aan een verschillend met sprongen afwisselend watergehalte. De blauwachtige kringen zijn het armst, de roodachtige het rijkst aan water. Vele vertoonen ook een waterrijke kern, die bij het aardappelzetmeel, in Fig. 8 afgebeeld, en bij het zetmeel uit de knollen der Cannn, in Fig. (> voorgesteld, excentrisch, bij tarwezetmeel, in hg. 1 weergegeven, in het midden gelegen is. Op de plaats van deze kern kan zich, ten gevolge van het indrogen der kernsubstantie, soms een holte vormen, als bij voorbeeld in het zetmeel van boonen en andere peulvruchten, (zie in Fig. 4). In de meeste plantensoorten hebben de zetmeelkorrels een rondachtige gedaante, die van de Bolderik. Agrostemma githago zijn daarentegen wig- en knotsvormig, als in Fig. 1, die der Wolfsmeiksoorten herinneren aan kleine pijpbeenderen, zooais Fig. !3 te zien geeft, en weer andere zijn hoekig en kantig