Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

parenchym ingevoegde kurklaag, ervoor hebben gevoimd, (zie de afbeelding van blz. 12(5 in Fig. 1 tot 3), die als stootkussens werken, welke de van ter zijde komende duwen en stooten opvangen en tegenhouden of tenminste in niet geringe mate verzwakken.

Zeer merkwaardige beschuttingsmiddelen tegen de zijdelingsche drukking vindt men bij slinger- en klimplanten met overblijvenden, houtigen stengel, dus bij die planten, die men gewoonlijk met den naam lianen aanduidt. Om die inrichtingen goed te kunnen verklaren, is het noodig, zicli eerst een denkbeeld te vormen van den stand der te beschutten deelen in die andere overblijvende houtige planten, die noch klimmen, noch slingeren, maai een opgerichten, ïecli-

ten, paalvormigen stam bezitten.

Zooals reeds vroeger gezegd werd, zijn bij deze planten, waartoe de meeste woudboomen behooren, de vaatbundels rondom het in t midden gelegen mcig in een kring geplaatst, en bestaan in hoofdzaak uit liet voor het vcr\oei van 't onverwerkte voedingssap dienende lioutgedeelte en het voor t vervoer en do omzetting der in de groene cellen bereide organische stoffen gebmikte deel van den bast. Beide deelen zijn bij genoemde planten door eene weefsellaag gescheiden, waarin een zeer drukke vorming van nieuwe cellen plaats heeft en die men het cambium of de teelt laag heeft genoemd, afgebeeld op blz. 126 in Fig. 8.

Van dit cambium uit, dat op de cirkelvormige doorsnede van eiken rechten stam zich voordoet als een ring, ontwikkelen zich aan den oenen kant, naai binnen, cellen, die zich bij het daar reeds aanwezige houtige gedeelte aansluiten, aan den anderen kant, naar buiten, cellen, welke aan het daar reeds aanwezige bastbestanddeel der vaatbundels toegevoegd worden. Daardoor nemen beide deelen en neemt ook de geheele stam in dikte toe; tevens ontstaan, vooral in het houtgedeelte, de in de dwarse doorsnede der paalvormige rechte stammen zichtbare jaarringen. Doch ook de cambiumring wordt grootcr en wijder; hij blijft echter steeds in denzelfden stand en in dezelfde verhouding tot het houten het bastgedeelte der vaatbundels en bewaart ook steeds zijn ringvormige gedaante, hoe oud of dik de bedoelde stam ook is geworden en al vertoont hij honderden van jaarringen. Het bastparenchym en de zeefvaten liggen hier dus buiten den cambiumring en zijn op hun beurt van buiten bedekt door verschillende andere weefsels, waartoe onder anderen ook de bastvezels en het kurkweefsel behooren, waarvan het laatste in meerjarige stammen zich zeer sterk kan ontwikkelen, terwijl de bastvezels in oudere stammen meer terugtreden, omdat deze aan buigzaamheid niet zoozeer behoefte hebben.

In de hier bedoelde rechte stammen liggen dus het bastparenchym en de zeefvaten vrij dicht aan de oppervlakte. Daar een sterke, van buiten komende zijdelingsche drukking hierbij niet is te vreezen, en tegen geringe drukking de kurkstof en de andere uitwendige deelen der schors genoeg bescherming verleenen, kan men dezen stand niet als ongunstig beschouwen. Geheel anders is het nu bij de lianen, met name bij die, welke zulke stevige rechte stammen als steunsels gebruiken. Inrichtingen, die de draagkracht en de stevigheid verhoogen, zijn in de lianen overbodig; die taak wordt al vervuld door den tot steun

Sluiten