Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eigenlijk is het in 't geheel geen offer, dat gebracht wordt, als de plant van die bladeren afstand doet, immers ze zijn niet anders dan overtollige ballast, die in sommige omstandigheden de plant bij den arbeid van een volgend jaar zou kunnen hinderen en waarvan ze dus het best doet, zich bij tijds te ontlasten. In zoo ver kan men het vallen der bladeren ook als de afscheiding van overbodig geworden stoffen opvatten, die zich bij de planten met in den zomer groene bladeren slechts eenmaal, maar dan ook op zeer groote schaal voordoet. Bij het voordeel, dat deze „afscheiding in massa" van de afvalsproducten, die bij de stofwisseling ontstaan zijn, aan de afzonderlijke planten biedt, komt nog, dat de afgevallen bladeren, met hun rijkdom aan kalk, op den grond terecht gekomen, daar verrotten en tot de vorming van humus, die salpeterzure kalk bevat, niet weinig bijdragen, zoodat ze nog voor de gezamenlijke plantenwereld zich nuttig maken, zooals we bij een vorige gelegenheid, met name op blz. 319 van Deel I, reeds uitvoeriger hebben besproken.

Wat nu betreft den vóór het vallen der bladeren plaats hebbenden uittocht der nog bruikbare stoffen uit de bladschijven naar de bewaarplaatsen binnen in de takken, stammen, wortelstokken, knollen en bollen, die moet in den regel vrij snel geschieden, het snelst wel daar, waar de vegetatieperiode, waarin de bladeren hun arbeid kunnen verrichten, kort is; waar de bladeren den gunstigen tijd tot op het allerlaatst toe moeten gebruiken, en waar de wisseling der jaargetijden nog al plotseling plaats heeft.

De weg, dien de stoffen inslaan, welke uit de bladschijven naar de voorraadschuren der stengeldeelen verhuizen, is in 't algemeen dezelfde, die bewandeld wordt door de in de bladeren bereide koolhydraten en eiwitstoffen. Ook de hulpstoffen, welke de af te voeren koolhydraten en eiwitstoffen gereed maken voor den overtocht, zijn waarschijnlijk bij elke soort dezelfde. Zooals echter, reeds in den tijd van de drukste werkzaamheid in de bladeren in de eene soort deze, in de andere soort gene hulpstoffen worden bereid, zoo ontstaan ook, bij den grooten uittocht aan het eind van de vegetatieperiode, in de verschillende soorten van planten weer onderscheidene hulpstoffen en uiteenloopende vervoeren beschuttingsmiddelen.

In vele gevallen zijn de hulpstoffen kleurloos en wij kunnen ze dan, zelfs als ze in groote hoeveelheden gevormd zijn, niet onderscheiden. Men ziet dan enkel, dat de bladeren ten gevolge der omzetting, die ook de chlorophylkorrels ten behoeve van den uittocht ondergaan, hun frisch groen verliezen, en dat in plaats van de groene kleur een gele tint te voorschijn komt, die veroorzaakt wordt door de na het verdwijnen van de bladgroenkorrels achterblijvende, reeds genoemde, gele korreltjes. In vele bladeren is de hoeveelheid dezer gele korreltjes zoo gering, dat ook de gele tint nauwelijks merkbaar is, en zulke bladeren zien er vuil geelwit uit, verdrogen zeer snel en worden dan grijs, bruin of zwart.

In talrijke planten wordt echter bij den uittocht der koolhydraten en eiwitachtige verbindingen anthokyaan voortgebracht en wel in zoo groote hoeveelheid, dat die stof reeds uitwendig duidelijk te herkennen is. liet doet

Sluiten