Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

water gevulde glas goed kurkt in de meening, dat de waterplanten tocli in hun element zijn en het zoo wel op oen lange reis kunnen uithouden, wordt zeer teleurgesteld. I)e geringe hoeveelheid zuurstof der in liet water aanwezige dampkringslucht is spoedig verbruikt, en de waterplanten stikken dan in het water binnen 24 uren of in nog veel korter tijd. juist als visschen, die men in een gekurkte, met water gevulde flesch zou willen transporteeren. Maar ook dan, als het water met de dampkringslucht in aanraking blijft en de normale hoeveelheid atmosferische lucht bevat, zooals in meren, vijvers en andere bekkens, zijn de daarin ondergedoken levende planten in ongunstige conditie met betrekking tot hunne ademhaling.

De door den dampkring omgeven planten hebben in een liter of 1000 cubieke centimeter lucht ongeveer 210 c. c. m. zuurstof te hunner beschikking; de ondergedoken waterplanten daarentegen kunnen uit de in een liter water opgeloste atmosferische lucht slechts 6 c. c. m. zuurstof opnemen. En zelfs deze geringe hoeveelheid zuurstof wordt enkel dan verkregen, als de ademende plant met het water, dat is hier met de erin opgeloste atmosferische lucht, zeer veel punten van aanraking heeft. Daaruit verklaart het zich, dat de ademende organen der rondom door water omgeven planten, evenals de kieuwen der visschen, met een zoo groot mogelijke oppervlakte aan het luchthoudende water grenzen. Op de meest volkomen wijze is dat bereikt bij die algen, welker cellen vereenigd zijn tot fijne, lange draden of tot dunne vliezen en banden. Mij de Phanerogamen wordt dat bereikt door verdeeling der bladeren in ontelbare, haarfijne slippen, bij voorbeeld bij Mijfiojihyllum en (Vratophi/lluni (Vederkruid en Hoornblad), of door de vorming van dunne handvormige bladeren, als bij Vallisneria en /ostent (Zeegras). De opneming van zuurstof wordt bovendien bij alle waterplanten vergemakkelijkt door dat de wanden der aan het water grenzende cellen niet van een cuticula voorzien zijn.

Nog ongunstiger zijn do omstandigheden in zake de ademhaling voor de moerasplanten, vooral die, welke in het slijk wortelen en ook met een deel hunner stengels en bladeren daarin ot in slikkig water staan. Het slijk en liet slikkige water bevatten geene of slechts een zeer geringe hoeveelheid dampkringslucht, daarentegen overvloedig gasvormige ontledingsproducten van gestorven planten en dieren. Deze zijn voor de ademhaling ongeschikt en zullen eerder in staat zijn, de planten, die erin moeten leven, den verstikkingsdood te doen ondergaan. Het weefsel van zulke moerasplanten is daarom geregeld voorzien van holten en gangen, die lucht bevatten. Men kan zulke weefsels heel goed 1 u c li twee f seis noemen of ze als voorraadschuren van lucht aanduiden. Zooals in liet waterweefsel, dat op blz. 39!) en 4<>0 van Deel 1 werd besproken, voor tijden van watergebrek water wordt bewaard, wordt hier dampkringslucht voor later opgeborgen, waarmee de in slijk en slikkig water staande deelen der planten, als de nood aan den man komt, kunnen worden geholpen.

Evenals het waterweefsel is ook dit 1 uclitweefsel ongemeen verschillend van vorm. In het eene geval is het gelijkmatig door de geheele plant verdeeld, in het andere bepaalt liet zich in hoofdzaak tot enkele leden. Hij

Sluiten