Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Alisma, Sayittaria, Sjxmjaniuin en Typha, [de bij ons zoo bekende en overvloedig voorkomende Waterweegbree, Pijlkruid, Egelskop en Lischdodde], zijn de geheele bladeren, bij Pontedera crassipes en Trapa natans, YVaternoot, voornamelijk de van blaasvormige aanzwellingen voorziene bladstelen, bij Equisetuiit, Hippuris, Scirpus en Juncus, (Paardestaart, Lidsteng, Biezen en Bloembiezen), het inwendige der stengels, bijzonder overvloedig van luchtweefsel voorzien. De lensvormige Lemna yibba, het Bultig Eendekroos, is aan de onderzijde met een luchtvoerend weefsel als gevoerd en ook de onderkant van de bladeren van Trianea boyotensis vertoont een dergelijk weefsel.

Veel moerasplanten bezitten verder op bepaalde plaatsen witte, sponsachtige, onder den naam aerenchym bekend geworden weefsels, tusschen welker fijne, in radicale richting uitgerekte, met vocht gevulde cellen opvallend groote, met elkander communiceerende en met lucht gevulde intercellulaire ruimten te vinden zijn. Bij Lytliruin, Kattestaart, bij Epilobium, Basterdwederik en verscheiden andere in het slijk der slooten groeiende opgerichte, overblijvende planten, vindt men dit sponsachtige weefsel aan de onderste gedeelten der kruidachtige stengels; bij den moerasheester Neptunia oleracea in den vorm van dikten aan de horizontale, drijvende, houtige stengelleden, en weer bij andere moerasplanten aan de wortels.

De Jussiaea re pens [een moerasplant uit Brazilië, tot de familie der Otutyraceae behoorende|, heeft tweeërlei wortels, de zulke die in het slijk neerdalen en tot taak hebben, de noodige voedingszouten op te halen, en wortels, die omhoog groeien naar do oppervlakte van het water en welker middelste vaatbundelstreng als met een mantel omgeven is door een wit, sponsachtig luchtweefsel. Bij enkele Mangrove boom en, als Avicennia, fjiiyuncularia, Suiineratia, ontspringen uit de in het slijk zittende wortels zijwortels, dienaar de oppervlakte van het water groeien, zich daarboven in de lucht verheffen en in die gedeelten van luchtweefsel voorzien zijn.

De lucht komt in de besproken luchtweefsels altijd uit den dampkring en wel óf door bemiddeling der boven het water uitstekende of op het water drijvende bladeren, i>f wel door de met het witte, sponsachtige aerenchym toegeruste en naar de oppervlakte van het water groeiende wortels. Uit die bewaarplaatsen van lucht kan dan ook naar de door het slib omgeven deelen der plant de voor de inademing noodige hoeveelheid zuurstofhoudende dampkringslucht worden toegevoerd.

Wij zullen er hier niet in 't bijzonder op behoeven te wijzen, dat de vorming dezer luchtweefsels voor veel moerasplanten, zooals met name voor Trapa, Pontedera enz. ook nog het voordeel biedt, dat hun drijfvermogen op op het water van 't moeras erdoor wordt verhoogd.

De onderzoekingen omtrent de ademhaling hebben geleerd, dat niet alle planten met dezelfde energie ademen, dat vil zeggen, dat in gelijke uitwendige omstandigheden en bij gelijke grootteverhoudingen van de ademende deelen de eene soort meer, de andere minder zuurstof verbruikt. Evenzoo is er bij elke

Sluiten