Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van gestorven planten en dieren. De sporedragers, die gewoonlijk als paddestoelen worden aangeduid, ontwikkelen zicli vaak buitengewoon snel tot aanzienlijke grootte, en met die snelle ontwikkeling gaat altijd ook een snelle beweging gepaard van het door 't mycelium opgenomen voedsel in de richting van den sporedrager en daarbij komt een krachtige ademhaling. Die ademhaling heeft voornamelijk plaats aan den omtrek van den sporedrager, bij de vlieszwammen, hymenomyceten, vooral in de tegen uitdamping en uitstraling 't best beschutte sporehouders.

De talrijke metingen in de vrije natuur, in het woud, bij de slechts even boven den grond zich verheffende vlieszwammen gedaan, hebben alle het resultaat opgeleverd, dat de temperatuursverhooging in het weefsel van den sporedrager het grootst is daar, waar ook de ademhaling het krachtigst plaats heeft, dus in den vliezigen sporehouder. Geringer is zij in het binnenste merg van den „ho .i" en 't geringste in den steel van de parapluie, waardoor het waterige vocht zich beweegt met een temperatuur, die van de temperatuur van den omringenden grond slechts weinig afwijkt en waar de ademhaling in elk geval slechts zeer weinig kan beteekenen.

Bij den eetbaren champignon Boletus edulis, die zich om zijn grootte en vorm bijzonder goed leent voor dergelijke onderzoekingen, werden bij voorbeeld bij een temperatuur van den omringenden grond van 13° waargenomen: temperatuur van den steel 14,2 tot 15,6°, temperatuur van het merglichaam in den hoed 15,2 tot 1<>,8°, van de laag der vliezige sporenhouders 10,7 tot 18,1°. De meer uitgegroeide, maar nog volkomen frissche paddestoelen toonden een hoogere temperatuur dan de jonge, pas uit den grond opgeschoten exemplaren. Gemiddeld was de waterrijke stoel 2, do merglaag in den hoed 3 en de vliezige laag 4,5° warmer dan de omgeving.

De waarnemingen bij andere vlieszwammen leverden gelijke resultaten. Lactorius scrobieulatus toonde, b'j een temperatuur van den omringenden grond van 12,2°, een temperatuur van den steel van 14,8° en van den hoed van 10,0°; de VI ie ge nz wam, Amanita muscaria, had bij een temperatuur van den omringenden grond van 13,0°, in den steel 14,2°, in den hoed 15,2°; Ili/dmnii imbricatuiH, [een Stekelzwain en wel de grootste soort van het geslacht Hydvum die bij ons voorkomt], vertoonde bij een temperatuur van den omringenden grond van 12,2°, in den steel een warmtegraad van 13,0° en in den hoed een van 14,5°. Do eigenaardige vorm van don hoed laat bij deze laatstgenoemde hymenoceten een afzonderlijke meting van de temperatuur in de merglaag en de vlieslaag niet goed toe, maar toch is het waarschijnlijk, dat er ook hier een klein onderscheid bestaat, gelijk aan dat, 't welk wc bij Boletus edulis vonden. Ook de tot de Buikzwammen behoorende Stuifzwammen of Bovisten vertoonen een niet onbeteekenende verhooging der temperatuur van het ademende gedeelte hunner sporedragers, boven den warmtegraad van hun omgeving. Zoo werd bij Li/coperdon caelatum, in den sporedrager kort vóór het openspringen een temperatuur van 15,8° waargenomen, terwijl de omringende grond maar 12,2 aanwees en de temperatuur der lucht, zooals in alle bovengenoemde gevallen, 10 tot 13° bedroeg.

Sluiten