Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die zich van reservevoedsel voorzien, opdat in de volgende vegetatieperiode de dan opgroeiende stengels en bloemen voldoende voedsel voor hun groei zullen beschikbaar hebben.

Naast de bloemen der Soldanella's vindt men af en toe ook jonge, nog geelroode bladeren van Polygonum viviparum, die van onderop in het sneeuwijs groeien en soms dicht bij den rand van het firnveld er gaten in smelten. De witte bloemen van de met de Soldanella's op gelijke standplaats gezellig groeiende lianunculus alpestris missen daarentegen het vermogen, door de firnsneeuw heen te groeien, en hebben om zich te kunnen ontwikkelen een temperatuur noodig, die al een eindje boven 't vriespunt ligt, zoodat zij zich altijd eerst vertoonen op plaatsen, waar kort te voren de sneeuw is weggesmolten.

Hoe groot de door do kleine bloemknoppen der Soldanella's vrijgeworden warmte is, zou zich, wel is waar, laten afleiden uit de hoeveelheid gesmolten ijs, maar men zou bij zulk een berekening zooveel kans loopen, fouten te begaan, dat de verkregen getallen toch geen aanspraak op juistheid zouden kunnen maken. Het feit, dat werd waargenomen, is voldoende, al kan hetook niet aan cijfers, als uitkomsten van calorimetrische proeven, zijn kracht ontleenen.

Het smelten van het ijs, door de bij het ademhalen der Soldanella's vrij wordende warmte, is overigens ook daarom zoo belangrijk, omdat er het bewijs door wordt geleverd, dat zelfs kleine, afzonderlijk staande, ongemeen teêre bloemen niet enkel hun eigen weefsel, maar ook de omgeving verwarmen, en dat de vrij wordende warmte erin alleen daarom niet is waar te nemen, omdat, zooals boven reeds werd opgemerkt, verdamping en uitstraling in tegengestelden zin werken, en omdat de ademende bloemen gewoonlijk omgeven zijn door lucht, dus door een medium, dat zoo bewegelijk en golvend en verplaatsbaar is als men zich maar één kan denken.

De lucht toch, die in de eeno seconde door de ademhalende bloem wordt verwarmd, is in de volgende seconde alweer ver weg gevoerd en door andere lucht vervangen. Dat geldt vooral voor bloemen van vlakken schotelvorm, met van boven wijd open kronen, waar geen sprake kan zijn van een blijven deilucht binnen in de bloem. Als daarentegen de bloem den vorm heeft van een omgekeerde klok, zooals bij het Vingerhoedskruid, de Gloxinia's en de meeste klokvormige bloemen; of als een der bloembladeren als helm zich heenwelft over do andere, zooals bij Monnikskap; of wel als de bloemen buisvormig zijn, aan den voet tonvormig gezwollen of bekervormig verwijd, zooals bij Aristol ochia's, of eindelijk als ze diepe trechters en bekers vormen, zooals bij veel Cactussen en K om k o 111 nier ach t igen , dan wordt de lucht in die beperkte ruimte bijna niet bewogen; er heerscht windstilte in in de diepte der bloem, de daar opgehoopte en verwarmde lucht zal in liet windstille hoekje vrijwel bewaard blijven en zal niet zoo spoedig door nieuwe lucht worden vervangen.

Op koele dagen kan men daarom in het inwendige van zulke bloemen, zelfs dan, als ze geheel afzonderlijk staan, een verhooging der temperatuur

Sluiten