Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als witachtige vlokken, repen, franjes en vliezen ziet liggen tegen de wanden der in het verwoeste hout zich vormende spleten en gaten. Deze fijne draden en spinsels van 't mycelium nu vertoonen het merkwaardige lichten. Daar waar zij de houtcellen geheel doorwoekeren, maakt het den indruk, alsof het hout zelf licht geeft en gewoonlijk spreekt men ook van het lichtende hout en de lichtende v e r 111 o 1 m d e b o o 111 s t r o n k e n.

Het mooist krijgt men het licliten in de vrije natuur te zien in den vollen zomer en in den herfst, als het eenige dagen achtereen geregend heeft en het door het mycelium doorwoekerde hout door den atmosferischen neerslag werd bevochtigd. Maar de door het hout opgenomen vochtigheid mag een zekere grens niet overschrijden. Als het hout te sterk bevochtigd is, doet het verschijnsel van het lichten zich niet voor, en evenmin als het hout te droog is geworden» Verwijdert men het bout van de plaats, waar liet bijzonder mooi licht, dan neemt het lichten vrij snel af, om eindelijk geheel uit te dooven, ook al zijn op do nieuwe standplaats schijnbaar de omstandigheden volkomen dezelfde en al worden dezelfde levensvoorwaarden aangeboden. Lichtend hout, dat men in de open lucht 's nachts heeft opgezocht en in een kamer of een kelder gebracht, waar zoo precies mogelijk die omstandigheden zijn aangebracht, waarin het lichten in de vrije natuur plaats had, vertoont in den eersten nacht het lichtverschijnsel nog volkomen onverzwakt, maar reeds na 24 uur is het er gewoonlijk mee gedaan.

Plaatst men lichtend hout in een afgesloten ruimte, waar de vernieuwing der lucht, dus van de zuurstof, niet in voldoende mate plaats heeft, dan houdt het lichten zeer spoedig op. Verhooging der temperatuur werkt niet bevorderend op het lichten, wat wel voornamelijk daardoor zal worden veroorzaakt, dat do verhooging der temperatuur een verandering in den vochtigheidstoestand van het hout teweegbrengt. In het bosch kan men, als de vochtigheidstoestanden gelijk blijven, het lichten langer dan een week aaneen, nacht op nacht aan denzelfden boomstronk waarnemen.

Het hier bedoelde licht, dat van het mycelium uitgaat, laat zich moeilijk met eenig ander licht vergelijken. Het is niet zoo groen als dat der glimwormen en heeft ook niet den glans, die bij het lichten der zee voorkomt; 't is een wit, mat licht. Het meest komt liet overeen mot dat van zuiveren, onder water bewaarden phosphorus. In het donker van 't woud maakt het een verrassenden en daarom geheimzinnigen, vroesaanjagenden indruk. De „dwaallichtjes" kunnen, althans voor een deel, wel aan lichtend hout hun oorsprong hebben te danken. Als men een met lichtend mycelium doorwoekerden, vermolmden boomstronk met geweld omstoot, zoodat hij in honderden stukken uiteenvalt, die verspreid in den omtrek op den grond vallen, dan vertoont nog elk stukje het lichten, en de donkere boschgrond is als bezaaid niet grootere en kleinere lichtende punten. Het lichten van zulke brokstukken heeft echter gewoonlijk reeds den volgenden nacht opgehouden.

Het licht, dat van de sporehouders en den steel der tot de eerste groep lichtende vlieszwaminen behoorende soorten van 't geslacht Ar/aricus uitgaat, gelijkt volkomen op dat van 't mycelium van Agaricus meileus, en ook de

Sluiten