Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De gisting.

Voor ongeveer 40 jaren formuleerde men liet onderscheid tusschen planten en dieren op de volgende wijze: De planten leggen het arbeidsvermogen van licht en warmte vast in den vorm van scheikundig arbeidsvermogen; zij vormen door reductie uit anorganisch voedsel, met name uit koolzuur, salpeterzuur en water, organische verbindingen; de dieren veranderen scheikundig arbeidsvermogen in beweging en warmte: zij ontleden en oxydeeren bij de ademhaling de hun als voedsel dienende, door de groene planten bereide organische verbindingen.

Deze onderscheiding gaat echter maar ten deele op. Vooreerst past zij niet voor de planten, die geen bladgroenkorrels bezitten, en aan den anderen kant is het zeker, dat ook de groene planten ademen en daarbij chemisch arbeidsvermogen in beweging en warmte omzetten. De ademhaling der planten verschilt van die der dieren noch wat den aard van de werking aangaat, noch wat haar einddoel of haar beteekenis betreft. Hier zoo goed als daar trekken de levende protoplasten de zuurstof uit de lucht tot zich, 0111 die over te dragen op bepaalde daartoe voorbereide en gereed gemaakte, verbrandbaar geworden koolstofverbindingen; bier zoo goed als daar worden deze koolstofverbindingen verbrand, om de noodige kracht te leveren voor het voortleven en voortgroeien.

De analogie tusschen dieren en planten gaat echter in dit opzicht nog vorder. Als men dieren, die een taai leven hebben, bijvoorbeeld kikvorschen, in zuurstofvrije lucht zet, gaan zo niet terstond dood en houden ook niet dadelijk op, kooldioxyde uit te ademen; zij produceeren nog een tijd lang een zekere hoeveelheid beweging en warmte door verbranding der koolstofverbindingen in hun lichaam. Daar de omringende lucht zuurstofvrij is, kunnen zij daaraan geen zuurstof ontleenen, er blijft dus niet anders over, dan aan te nemen, dat zij de zuurstof verkrijgen uit organische verbindingen in hun eigen lichaam. Op den duur is dat wel niet vol te houden, en een langer oponthoud van de kikvorschen in een ruimte die geen zuurstof bevat, heeft bij hen ten slotte den dood ten gevolge; maar een korten tijd kunnen ze op de aangegeven wijze ten minste in leven blijven. .luist hetzelfde neemt men eveneens bij planten waar. I11 een omgeving gebracht, die geen vrije zuurstof bevat, sterven ze niet dadelijk, maar trachten nog een korten tijd daardoor hun leven te rekken, dat ze gebonden zuurstof gebruiken, die ze aan de salpeterzure zouten, die met liet voedsel in hun lichaam zijn gekomen, of ook wel aan zuurstofrijke organische verbindingen van bun eigen lichaam ontleenen.

Zuurstof, op deze wijze verkregen, kan de gewoonlijk uit de dampkringslucht opgenomen zuurstof vervangen, kan evenals deze een verbranding van koolstofverbindingen veroorzaken en dus de tot voortzetting van het leven noodige kracht leveren. Er wordt dan ook in de zuurstofvrije omgeving door de bedoelde plant kooldioxyde uitgeademd en warmte wordt vrij, evenals bij do normale ademhaling. Maar lang strekt die ongewone bron van zuurstof niet.

Sluiten