Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

getoond, dat deze uitloopers bij hun groei zelfs blaadjes bladtin kunnen doorboren. Zeer leerrijk is ook het feit, dat oude boomstronken doorgroeid worden door de stengels van verschillende kleine heesters en halfheesters, welker groeiende uiteinden betrekkelijk teer en zacht en in 't geheel niet, als die van 't Kweekgras, van stijve, spitse schubben zijn voorzien. In de Duitsche bergstreken ziet men op plaatsen, waar voor niet zeer langen tijd een bosch werd gerooid, zeer dikwijls doode stronken van naaldboomen, die ongeveer V° meter hoog boven den met heidestruikjes en boschbessen begroeiden woudbodem uitsteken. De snij vlakte, waar eens de zaag don dikken boomstam heeft doorsneden, is gedeeltelijk overwoekerd door dezelfde planten, die in de buurt op den grond groeien, en het maakt een eigenaardigen indruk als men op die grauwe, verweerde stronken, als het ware boven op een afgebroken lage zuil, troepjes boschbessen welig ziet groeien, een verdieping hooger dan op den boschgrond ernaast. Zonder nader onderzoek zal ieder meenen, dat deze boschbesstruiken uit zaden zijn opgeschoten, die vroeger boven op de zaagsnede van den stomp waren beland, en men is daarom uiet weinig verbaasd, bij het splijten van zulke oude boomstronken te zien, dat dit niet het geval is, en dat integendeel de boschbesstruiken die er omheen groeiden, enkele loten hebben geschoven in 't benedenste gedeelte van het oude stuk van den boom, terwijl die loten daarna door het vermolmde hout van den stronk, vooral door het zachte molm tusschen hout en schors, zoolang omhoog groeiden, tot ze boven op de snijvlakte weer voor den dag kwamen, waarbij wel een zeer sterke drukking op het omringende hout moet zijn uitgeoefend.

Ook de dunne stengels van de in rotspuin groeiende planten hebben zich menigmaal, als door een snelstroomendo bergbeek hun standplaats wel een voet hoog onder zand en steentjes wordt bedolven, een nieuwen weg te banen en daarbij dat zand en ook steentjes van betrekkelijk grooten omvang en vrijwat gewicht weg te schuiven. Als men erwten, boonen en andere groote zaden in den grond begraaft en laat ontkiemen, kan men trouwens reeds zien, hoe bij het opgroeien der kiemplanten kleine kluitjes aarde en steentjes worden opgeheven, en de aarde, waarin men pijnboomzaden, eikels en beukenoten heeft gelegd, maakt in den tijd van 't ontkiemen der zaden den indruk, alsof zij door muizen was doorwoeld en omhoog gewerkt.

Als een der meest beteekenisvolle verrichtingen van groeiende stengels moeten wij ten slotte nog noemen den lengt eg roei van onze woud boomen, dien wij dagelijks voor oogen hebben, maar waaraan we juist om de alledaagschheid van 't verschijnsel geen aandacht schenken. Een groeiende beukestam tor dikte van 50 centimeter tilt jaarlijks een nieter hoog een kroon op, die een gewicht van een paar duizend kilogram bezit. En dat alles geschiedt alleen door de kleinste doelen van hot levende protoplasma, die, door de warmte in beweging gebracht, van stand veranderen, elkander aanstooten en afstooten, verschuiven en door elkander bewegen, nieuwe groepeeringen aangaan en in deze nieuw rangschikking, ook naar buiten voor onze zinnelijke waarneming, van vorm veranderd en grooter van omvang blijken.

Sluiten