is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verlies. Alles, wat den groei der bloembladeren tegenhield, wat storend zou werken op de ontwikkeling van liet stuifmeel in de helmknoppen, wat de honigafscheiding kon belemmeren enz., zou maar al te licht de bevruchting en de vrucht vorming kunnen schaden, en dan zou de arbeid van een geheel jaar voor de plant, om zoo te zeggen, verloren moeite zijn geweest.

Nu ontwikkelen zich echter juist op die plaatsen, die over dag door de zon worden beschenen, maar die in den nacht door de uitstraling veel warmte verliezen, dat is op open, niet beschaduwde plaatsen, de meeste bloemen, en daar is ook het gevaar voorhanden, dat de bloemen en bloemknoppen die warmte, die zij in den loop van den dag hebben verkregen, in den loop van den nacht weer verliezen, waardoor de boven genoemde nadeelen zich zouden kunnen voordoen. Om dat te vermijden, zijn in vele gevallen de bloemknoppen en ook de geopende bloemen hangend en vaak klok- of buisvormig, of wel er welven zich bloemdeelen in den vorm van een helm, een kap of een scherm over de helmknoppen en vruchtbeginsels, waardoor dan die inwendige deelen der bloem als in een nis of kamer zijn verborgen. In die verborgen hoekjes zijn ze tegen warmteverlies betrekkelijk goed beschut en de uitstraling van de warmte naar den nachtelijken hemel is voor deze deelen der plant dan belet.

Alleen de omhulsels, die als een beschuttend dakje boven de inwendige bloemdeelen zijn uitgespannen, verliezen 's nachts een groot deel van de bij dag ontvangen warmte: zij loopen echter daardoor weinig gevaar van ernstige nadeelen, ze hebben reeds hun normale grootte bereikt en behoeven geen warmte voor verderen groei; ook zijn ze vaak bekleed met een soort van haren,, waar zich veel lucht in bevindt, of ze zijn omgeven met een drogen, vliezigen zoom, of zijn geheel overgegaan in perkament- of papierachtige schubben, in welk geval ze door warmteverlies geen schade kunnen lijden. De lucht in hangende klokjes is zelfs in den morgen vóór zonsopgang nog één ïi twee graden warmer dan de temperatuur der omringende lucht (zie blz. 1(57); zij blijft hier, als onder een duikerklok, vrij gelijk don geheelen nacht, wat in elk geval van zeer groot belang is voor de daar geborgen, warmtebehoevende helmknoppen, stempels en honigbowaarplaatsen.

In vele gevallen nemen do bloemknoppen en de jonge bloemen* slechts periodiek zulk een hangende houding aan. Bijzonder in 't oog vallend zijn in dit opzicht verschillende Schermbloemigen, zooals bij voorbeeld de Sik k e 1scherin, Falcaritt ltieini (of sioides) en de Peen, Dttucus Carotu. Nauwelijks is de zon onder, of van deze soorten buigen zich de stengels, die jonge bloemschennen dragen, haakvormig om, zoodat de bloemknoppen, die bij dag naar de zon waren gekeerd, nu naar den grond gericht zijn, terwijl de diep ingesneden omwindselbladen zich als een parapluie over het knikkende scherm uitbreiden. Deze omwindsels stralen in den nacht warmte uit, zonder er schade door te lijden; de zich daaronder bevindende bloemknoppen echter zijn op de geschetste manier tegen de voor hen verderfelijke nachtelijke uitstraling beschut, en zij kunnen de bij dag opgenomen warmte, zoo niet geheel, dan toch voor een groot deel behouden.