Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toestand knikkend of hangend. In deze periode hebben de dragers dier bloemen en bloeiwijzen hun normale grootte nog niet bereikt. Het weefsel dezer stelen moet nog groeikrachtig blijven, is nog week en saprijk, en de opgerichte stand en de daarvoor vereisclite stevigheid der weefsels, zou in dezen tijd niet gewenscht zijn. Eerst later, als de bloemen opengaan, is de opgerichte stand van nut; dan echter hebben ook de stelen hun normale lengte en stevigheid bereikt en de opgerichte houding kan duurzaam zijn.

Dat het hier bedoelde knikken der bloemen en bloeiwijzen ook met beschutting tegen dauw en regen samenhangt, zal later uitvoeriger worden uiteengezet. In veel gevallen zullen wel door het hangen alle drie voordeelen tegelijk worden bereikt.

Een zeer in 't oog vallende, tegen warmteverlies door nachtelijke uitstraling beschermende inrichting neemt men waar bij de kiem plan ten der Phanerogamen en wel bij die, welke twee zaadlobben of cotyledonen (zie blz. 10 van Deel I) bezitten. Zoolang de kiem, door beschuttende vliesjes omgeven, schijndood rust in het zaad, zijn de twee zaadlobben met hun bovenkant op elkander gelegen; later, als de kieming heeft plaats gehad, als het worteltje in den grond is gedrongen en bet zaadhuidje is afgestooten, gaan de beide zaadlobben van elkander en keeren lnin bovenkant naar den hemel; dan is het deel van de kiemplant boven den grond te vergelijken bij een opengeslagen boek.

In dezen stand zijn de breede, vlakke zijden der zaadlobben aan de zonnestralen blootgesteld, worden ook zooveel mogelijk bedeeld met licht en warmte, en daarin kan, zoo ze groen zijn gekleurd, ook de vorming van organische stoffen uit anorganisch voedsel plaats hebben. Zulke zaadlobben ziet men menigmaal ook in grootte toenemen en geheel als groene bladeren groeien en functionneeren. Voor zulke groene zaadlobben zou het nu zeker een groot nadeel zijn, als zij de in den loop van den dag ontvangen warmte in den volgenden nacht weer gedeeltelijk, ja misschien geheel moesten verliezen. Vooral in streken, waar de meeste zaden bij lage temperatuur na afloop van den winter, in een tijd, waarin de nachten nog lang zijn, ontkiemen, moet met de warmte zuinig worden omgegaan en moet vooral het warmteverlies door nachtelijke uitstraling uit de zaadlobben worden vermeden. Dat geschiedt nu daardoor, dat zich de geopende en uiteengeslagen, met hun breede kanten naar de zon gekeerde zaadlobben na zonsondergang tegen elkaar aan leggen en weer den stand aannemen, dien zij indertijd in het rustende zaad hadden.

Daardoor zijn nu beide zaadlobben met hun smalle randen naar den hemel gekeerd en het warmteverlies door nachtelijke uitstraling is zoo gering mogelijk gemaakt. Door deze beweging der zaadlobben, die op heldere, wolkenlooze avonden en op open plekken op 't vrije veld, sneller plaats heeft dan bij bewolkten hemel en op plaatsen, waarover zich de takken van naburige boomen en heesters welven, wordt ook nog het voordeel bereikt, dat de kleine blaadjes, die aan den eersten aanleg van een stengel tusschen de zaadlobben zichtbaar worden, in den nacht zijn toegedekt. Komt dan de morgen, en is het gevaar voor 't overgroote warmteverlies voorbij, dan slaan de zaadlobben weer uit

Sluiten