Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schillende temperaturen vast wordt, zoo gedraagt zich ook het protoplasma der eene soort anders dan het protoplasma eener andere soort.

Boven werd gezegd, dat de waterplant Nitella syncarpa reeds bij een temperatuur van —4° doodvriest. Andere waterplanten daarentegen verdragen de ergste koudegraden, zonder dat hun protoplasma wordt gedood. De Sphaerella nivalis, die het verschijnsel van „roode sneeuw" veroorzaakt, (zie blz. 38 van Deei, 1), is in den winter in het poolgebied maandenlang aan een temperatuur van —20° blootgesteld, zonder daardoor te gronde te gaan. Datzelfde geldt van verschillende soorten der geslachten Epithemia, Navicula en andere Diatomaceae, die in gezelschap met Sphaerella nioalis, op de eeuwige sneeuw der gletschers levend worden aangetroffen.

Terloops zij er hier aan herinnerd, dat er ook dieren zijn, die met deze eencellige planten samen in het gebied van ijs en sneeuw leven en er maanden lang bevroren zijn, zonder daardoor gedood te worden. De Raderdiertjes zetten, zoodra ze ontdooien, het spel met hun wimperharen voort; de onder den naam Gletschervlooien bekende zwarte, tot de Springstaarten behoorende insecten maken hun groote sprongen, en de bontgevlekte Sp i nnen loopen met hun lange pooten weer over de door de zon beschenen ijsvlakten, terwijl aan den anderen kant verscheiden, door den wind naar dezelfde sneeuwvelden heengevoerd insecten in korten tijd door de vorst worden gedood.

Evenals met de planten uit het gebied der eeuwige sneeuw is het ook gesteld met die uit lager gelegen streken. Planten, die uiterlijk veel op elkander gelijken, en ook in anatomischen bouw groote overeenkomst vertoonen, kunnen toch met betrekking tot het doodvriezen zich zeer verschillend gedragen. Terwijl de in Griekenland en Italië groeiende 1'inus Pitna geon vorst kan verdragen, gedijt de Cederden of Arve, Pinun cembra, nog in streken, waar zijn stam en zijn naaldvormige bladeren weken lang tot 20" zijn afgekoeld, lihododendron Ponticuiii vriest dood bij —2°, Uhododendron Lapponicum verdraagt de strengste koude van den noordschen winter. Als men in een kouden herfstnacht de van dikke, vleezige bladeren voorziene soort van Huislook, Semperoivuni arboreum, uit de plantenkas op een plaats zet in de open lucht, waarde temperatuur tot —1° daalt, dan is de plant reddeloos verloren, terwijl de wat den bouw der vleezige bladeren betreft, volkomen gelijke Europeesche dikbladige vetplanten, bij voorbeeld Sempervivum montanuni en II ulfenii, dezelfde en nog veel heviger koude niet maar een enkelen nacht, doch vele weken aaneen zonder nadeel doorstaan.

Er zijn ook een menigte tweejarige en overblijvende planten, die men niet tot de vetplanten kan rekenen, maar die toch zeer saprijke, gladde, uitwendig in 't geheel niet tegen warmteverlies beveiligde bladeren bezitten en in den herfst met hun rozetvormig gerangschikte bladeren op den grond rusten. De bladeren dezer rozetten zijn in de streken met strenge winters, vooral dan, als er weinig of geen sneeuw is gevallen, aan de hevigste koude blootgesteld, en de temperatuur van het saprijke weefsel daalt niet zelden tot op —20°, zonder dat daardoor het protoplasma wordt gedood.

Sluiten