is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zeer opvallend is in dit opzicht liet Gewoon Lepelblad, Cochlearia officinalis, waarvan men zou verwachten, dat zijn saprijke, gladde, donkergroene bladeren reeds na den eersten rijp zouden doodvriezen, terwijl ze feitelijk de grootste koudegraden zonder het geringste nadeel kunnen verdragen. Er zijn weinig punten op aarde, waar een zoo streng winterklimaat heerscht als aan het strand van Pitlekaj aan de noordkust van Siberië, waar de Yega-expeditie van baron Nordenskjüld in den winter van 1878/70 overwinterde. De gemiddelde temperatuur van November bedroeg 16,58°, van December —22,80°, van Januari —25,06°, van Februari —25,09°, van Maart —21,65°, van April —18,93°. Dit waren, als gezegd, nog maar de gemiddelden; op vele dagen daalde de temperatuur tot —30° en 40°, en eenmaal werd het minimum zelfs —46°. Op den top van een vrij hoogen zandheuvel nu, waarover bijna onafgebroken de ijskoude noorde- en noordoostewinden waaiden, werd een plant, een soort van Lepelblad, namelijk Cochlearia fenestralis opgemerkt. Deze plant was in den zomer van 1878 begonnen met bloeien en had toen ook gedeeltelijk vruchten gevormd. Toen de winter begon, was deze Cochlearia nog voorzien van onrijpe vruchten, bloemen, bloémknoppen en sappige, groene bladeren, en men zou verwacht hebben, dat de saprijke, teêre weefsels in den loop van den langen winter en onder den invloed van de aanhoudende koude volkomen vernietigd zouden zijn. In den zomer van 1879 echter groeide de plant, welker weefsels toch ongetwijfeld langen tijd tot op 30° waren afgekoeld en dus bevroren waren geweest, weer voort en vervolgde haren groei daar, waar ze dien in 't begin van den winter had afgebroken: de bladeren functionneerden weer als in den afgeloopen zomer, de bloemknoppen gingen open en uit de bladoksels ontsproten nieuwe bloeiende loten, een bewijs, dat het protoplasma dezer plant zelfs door een temperatuur van 46° niet was gedood.

Als de inyrten en oranjeboomen bij —2° tot —4°, cypressen en vijgen bij —7° tot —9°, centifolia's bij —18°, de wijnstok bij —21°, eiken en beuken bij —25°, pruimen en kersen bij —31° en appel- en pereboomen bij —33° doodvriezen, dan kan dat enkel uit de specifieke gesteldheid van het protoplasma worden verklaard, en men moet aannemen, dat het protoplasma-cellichaam in het ééne geval bij deze, in het andere bij gene temperatuur op de vroeger aangegeven wijze werd verwoest.

Vroeger is opgemerkt, dat het ook van t ontwikkelingsstadium der planten afhangt, bij welke temperatuur het bevriezen met doodelijken afloop plaats heeft. Algemeen bekend is het, dat de houtige stammen en takken, de blad- en bloemknoppen en vóór alles de zaden, als ze in den herfst waterann zijn geworden, zeer lage wintertemperaturen kunnen verdragen. In Jakoetsk en YVerchojansk in Siberië, waar de gemiddelde temperatuur van Januari 42.8° en —49° bedraagt, en waar —62° en —63,2°, de laagste tot 1111 toe op aarde waargenomen temperaturen werden genoteerd, waar maanden aaneen de schaduwtemperatuur zich niet boven 30° verheft, vindt men nog talrijke kruiden en heesters, welker bovenaardseh gedeelte weken lang aan een koude is blootgesteld. waarbij het kwik bevriest; ja, er gedijen daar nog berken en la riksen,