Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waar in den winter perioden van groote koude met zachte tijden afwisselen, en waar op den kouden nacht in den regel weer een warnier dag volgt, 't geen overal 't geval is, waar de zon in den winter niet weken of maanden lang onder den horizon blijft. Alle omhulsels, die in de gematigde luchtstreek voor doodvriezen beschutten, zijn daarom in arctische streken nutteloos. Niet eens de sneeuw, die zooals reeds werd gezegd, in de noordelijke gematigde luchtstreek als een der beste beschuttingsmiddelen tegen groote koude wordt beschouwd. kan in het poolgebied het binnendringen van de koude beletten. Kane vond de temperatuur in Noordwestelijk Groenland, op 63 cM. onder de sneeuw, gedaald tot —21,3°, en op 126 c-M. onder de sneeuw tot —16,3°.

De onderzoekingen, die gedurende de overwintering der Zweedsche poolexpeditie in de Mosselbaai op Spitsbergen werden gedaan, toonden aan, dat den 14den Februari 1873 bij een temperatuur der lucht van —35° de sneeuw 2G cM. onder de oppervlakte tot —26° en op een diepte van 35 cM. tot 20° was afgekoeld. Den 23sten Februari had de sneeuw op een diepte van 30 cM. de temperatuur van —21° bij een gelijktijdige temperatuur der lucht van -32°. Door de Vega-expeditie werd aan de Noord-Siberische kust den 22sten Maart bij een temperatuur der lucht van —18,2° de sneeuw op een diepte van 30 cM. tot 16,1" en de daaronder liggende aardbodem tot op 15,1° afgekoeld gevonden. Midden in Maart had de met de wortels van hot Noordsche duingras, Ehjmus mollis, doortrokken zandgrond, op een diepte van 63 cM., de temperatuur van —20°.

In de noordelijke gematigde luchtstreek is dat geheel anders. Waar de zon, al is liet maar gedurende eenige uren van den dag, op de sneeuw haren invloed kan uitoefenen, wordt deze verwarmd en smelt dan vaak van boven al. Men kan in de Alpen op den tijd van de kortste dagen in December, bij een schaduwtempcratuur der lucht van —10 tot—15°, van de door de zon beschenen daken der boog boven op de berghellingen gelegen hooiliutten op t middaguur het smeltwater zien neerdruppelen. Op den Matterhorn zagen de drie Zwitsers, die besloten hadden, ten behoeve van meteorologische waarnemingen, den winter van 1865 op 1866 in het 3333 M. hoog gelegen station door te brengen, den lHden December 1865 en op verschillende andere dagen, dat in de zon de sneeuw was gesmolten. Daalt de zon achter de bergen, dan bevriest het smeltwater weer, maar den volgenden dag herhaalt zich hetzelfde verschijnsel. Terwijl in hot poolgebied de in den maandenlangen onafgebroken winternacht gevallen sneeuw poedervormig blijft, vormt zich in de bergstreken van de gematigde luchtstreek, ten gevolge van het smelten der bovenste sneeuwlaag, onder den invloed der zonnestralen en van het daaropvolgende smelten en weer tot ijs worden des nachts, een ijskorst, die mettertijd zoo dik wordt, dat men wijde uitgestrektheden sneeuw vindt, geschikt om te worden beloopen, zonder dat men erin zakt.

Deze afwisseling van dooien en bevriezen in de bovenste lagen van liet wintersche sneeuwdek heeft nu het belangrijke voordeel, dat in de streken, waar 's winters de zon schijnt, de diepere sneeuwlagen en do deze sneeuw

Sluiten