is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beschut dan in het hooge Noorden, waar de sneeuw maanden lang het buiten zon moet stellen.

Er zijn in het Alpengebied ook planten, die blijkbaar alleen dit beschuttingsmiddel bezitten, en welker bouw het mogelijk maakt, dat ze den strengen winter, onder dikke massa's sneeuw geborgen, overleven. Daartoe behooren in de eerste plaats talrijke heesterachtige houtgewassen, waarvan als voorbeeld kan dienen de op blz. 225 afgebeelde Bergden, Pimis humilis of montano, de „Legföhre" der Duitscliers. De stammen dezer dennen zijn niet opgericht, als die der meeste andere Pinus-soorten, maar nemen een horizontalen stand aan, en dat ook dan, als ze zeer dik zijn geworden. Zelfs stammen van een doorsnede van 20 centimeter, die volkomen goed in staat zouden zijn, in opgerichte houding hun breede, vertakte kroon te dragen, groeien in bijna evenwijdige richting met den grond, zonder dat ze dien onmiddelijk aanraken. Daarbij is het opmerkelijk, dat op geschikte hellingen der bergen het voortgroeiende einde van den stam altijd naar beneden, naar het dal is gericht, en eveneens moet er op worden gewezen, dat deze eigenaardige wijze van groeien niet enkel eigen is aan de in de Alpen in 't wild groeiende bergdeunen, maar ook aan de in botanische tuinen van het laagland gekweekte en uit zaad opgeschoten exemplaren, zoodat de eigenschap als een kenmerk deisoort mag worden beschouwd.

De takken en twijgen, die boogvormig opstijgen van den hoofdstam, zijn buitengewoon elastisch en drukken zich, als ze worden belast, tegen den grond. Daar alle takken der kroon van den liggenden hoofdstam uitgaan en omhoog zijn gericht, hoopen zich aan de bovenzijde de takken en twijgen op, en in vele boschjes van oude borgdennen zijn die vele takken zoo dicht opeengehoopt en zoo veelvuldig dooreen geslingerd, dat men daar bijna niet kan vooruitkomen. De groote uitgestrektheden, waar borgdennen groeien, zijn dan ook veelal verlaten en eenzaam, en er zullen er wel zijn, waarin zoo lang, als ze met dien eigenaardigen boomgroei bedekt zijn, nooit eens menschen voet is doorgedrongen. Wee ook hem, die 't ongeluk heeft in zulk een bosch te verdwalen. De moeilijkheden, waarmee men zich baan moet breken door een tropisch oerwoud vol lianen, zijn niet grooter dan die, waarmee men hier bij het voorwaarts schrijden te kampen heeft.

Men kan wel, over de dwarsgelegen, armdikke stammen klauterend, een eindje vooruitkomen, maar tevergeefs beproeft men zich dan verder te oriënteeren en een uitkijk te krijgen. Vaak worden de borgdennen zoo hoog, dat men rechtopstaande nog eenige voeten boven zich de bovenste, met naalden dicht bezette takken zich ziet verheffen. Gaat men staan op een der boogvormig oprijzende takken, om over de bovenste naalden heen uit te zien, dan buigen èn tak en stam zich onder den last naar den grond, en men verzinkt weer in de zee van donkergoene bergdenkronen. Zulk een neerbuigen heeft echter ook plaats onder den last der wintersneeuw; ja, de zich ophoopende sneeuwmassa's drukken in die mate op de boogvormig oprijzende elastische takken, dat zelfs de bovenste met naalden bezette vertakkingen plat op den grond komen te