Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar worden uit do aangevoerde stoffen dikke stengeldeelen en knollen gevormd, vleezige, schubvormige, lagere overgangsbladeren en de aanleg van nieuwe bladeren en bloemen, welke laatste echter zich in hetzelfde jaar niet meer boven den grond vertoonen. In den winter blijven deze vormingen in den grond begraven en zijn er, evenals do wortels, besehut tegen te ver gaande afkoeling. Eerst na afloop van de vorstperiode groeien dan de reeds in 't vorig jaar onder den grond aangelegde bloeistengels en bladeren op, om groen te worden, te bloeien, vrucht voort te brengen en in het zonlicht opnieuw organische stoffen te bereiden voor ondergrondsche bollen, knollen 011 wortelstokken.

Het is interessant daarbij te zien, dat bollen en knollen des te dieper in den grond liggen, hoe meer de standplaats is blootgesteld aan uitstraling en afkoeling, hoe meer gevaar er dreigt, dat in don winter slechts een dun laagje sneeuw den bodem zal bedekken, en hoe grooter de waarschijnlijkheid is, dat zelfs dat nog door stormen zal worden weggevaagd. Terwijl bij voorbeeld de bollen en knollen van Bosch geelste r, (lagen lutea en van Corydalis ca va, de Hol wortel igc Helm bloem, als ze in den zwarten humus van beukenwouden onder dorre bladoren groeien, slechts enkele centimeters diep onder de oppervlakte liggen, zijn ze op open weiden eerst op drie-, viermaal grooter diepte to vinden. Do ligging der bollen van de Tijloos, Colchicum autumnale, kan wel als aanwijzing gelden, om te weten te komen, hoe diep in een bepaalde streek 's winters de vorst in den grond dringt; want geregeld bevinden zich die bollen op diepten, die niet door de vorst worden bereikt.

Ook bij waterplanten neemt men iets dergelijks waar. In het stilstaande water van plassen en vijvers heeft feitelijk een terugtrekken der planten voor de naderende koude van den winter plaats, een formoele vlucht naar de diepte. De planten der Scheeren, Stratiotes aloides, een waterplant, die, zooals reeds haar Latijnsche naam zegt, voel op een aloë gelijkt, [en ton onzent vaak groote uitgestrektheden in poelen en plassen bedekt | houden zich in de lente 011 don voorzomer drijvend in het water op, niet ver van de oppervlakte. Zij krijgen daar nieuwe zwaardvormige bladeren 011 ontwikkelen witte bloemen, die boven het water uit komen. Nadat de bloeitijd voorbij is, zinkt do plant naar de diepte, 0111 hier haar vruchten 011 zaden tot rijpheid to brongen 011 knoppen aan te leggen voor nieuwe planten. Ongeveer op 't eind der maand Augustus verheft de plant zich weer naar de bovenste watorlagen. Do intusschen opgegroeide dochterplanten gelijken, op do geringer grootte na, zeer veel op de moederplant; zij hebben zich ontwikkeld uit de knoppen aan liet eind van verlengde, tusschen de rozetten uitgegroeide loten on omgeven 1111, als kuikentjes de hen, do statige moederplant.

I11 den loop van den herfst vergaan dan de loten, waarmee do dochterplanten aan do moederplant tot 1111 toe waren bevestigd, en alle geïsoleerde rozetten, alsook do moederplanten zelve, zinken opnieuw naar don bodem van vijver, plas of sloot. Daar, dus op een plaats, waar hot zoor zelden vriest, overwinteren ze 011 komen eerst weer in het volgend voorjaar naar de oppervlakte terug.

Sluiten