Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vergelijking niet de afgeworpen bladeren zijn de takken niet een veel steviger huidlaag bedekt, en het maakt den indruk, dat zulk een huidlaag de erdoor bedekte deelen beter tegen koude kan beschermen, dan de opperhuid deibladeren zou hebben kunnen doen. Voor een zeer korte periode van koude zal dat ook wel het geval wezen, maar voor langeren tijd is zelfs de dikste huid niet bij machte, de afkoeling der bekleede deelen tegen te houden, evenmin als de schors dat kan bij ouder takken en boomen. In lang aanhoudende winters, met onafgebroken strenge koude, neemt ook het inwendige van stammen en takken de temperatuur der omgeving aan, en het hangt alleen van het weerstandsvermogen van het protoplasma af, of de intredende afkoeling doodelijk werkt of niet.

Uit verschillende verschijnselen mag men het besluit trekken, dat het bedoelde weerstandsvermogen des te grooter is, hoe meer het protoplasma in do cellen der takken en stammen gelegenheid had, zich in den zomer en den herfst tegen den winter voor te bereiden. Was de zomer warm en de herfst zacht, werd het optreden van de eerste dagen van vorst lang uitgesteld en had de plant tijd, zich voor den winter klaar te maken en zich als het ware langzaam in wintertenue te steken, dan bevriezen de takken niet; was de zomer echter koud en nat, viel de vorst al vroeg in den herfst in, kon het bedrijfswater niet tijdig genoeg worden afgevoerd, was het hout, zooals de tuinlieden zeggen, nog niet geheel rijp, dan kan een volstrekt niet al te barre winter den dood van de houtige takken ten gevolge hebben, van dezelfde takken, die vroeger misschien veel strenger winters zonder schade hebben doorstaan.

Altijd weer komt men er dus toe terug, dat het al of niet doodvriezen van een playt daarvan afhangt, of de toestand van het protoplasma van dien aard is, dat ten gevolge der afkoeling zijn moleculaire bouw voor goed wordt verwoest of niet, en dat eigenlijk de doeltreffendste bescherming in de innerlijke gesteldheid van het protoplasma zelf moet worden gezocht. Daar wij deze gesteldheid, de constitutie van de protoplasten, niet kennen, is het noodeloos, ons op dit punt in gissingen te verdiepen. Zeker is slechts dit ééne, dat het weerstandsvermogen van het protoplasma zeer verschillend is en wel even goed in de verschillende soorten van planten alsook op verschillende tijden bij één en dezelfde plantensoort.

Het verschroeien.

Als een plantendeel, ten gevolge van temperatuursverhooging, het vermogen verloren heeft, voedsel op te nemen, te ademen en zich verder te ontwikkelen, zeggen wij, dat het is verschroeid. De uitwendig aan verschroeide plantendeelen waar te nemen verschijnselen zijn volkomen gelijk aan die, welke

Sluiten