Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spiralis, die voorgesteld zijn op de afbeelding van blz. 31 van Deel I in Fig. 2, houdt de strooming van liet protoplasrna eerst op bij ruim 43°, en samentrekking van liet protoplasrna, ten gevolge van liet stollen der eiwitstoffen, heeft eerst plaats bij 53° tot 54°. Bij de op Madagascar inheemsche waterplant Aponogeton fenestrale treedt liet stollen en de daarmede gepaard gaande dood van liet protoplasrna eerst op bij 55°. Veel algen verdragen zelfs nog liooger temperaturen. In de gleuven, waardoor liet water afvloeit van een Karlsbader warme bron groeien bij een temperatuur van 55° tot 56° nog de donkere tot de groep der Blauw wie re n behoorende Oscillaria's; in de bronnen van Abano, die een temperatuur van bijna 60° bezitten, vindt men nog Sphaerotilus thennalis, en ook in de solfatare bij Napels zijn de zijwanden van de rotsspleten, waaruit waterdamp met een temperatuur van 55 a 60° voor den dag komt, nog met een groenen aanslag van wieren overtogen.

Bij de planten, die niet ondergedoken in water leven, heeft buiten de specifieke gesteldheid van het protoplasrna ook nog het watergehalte op de verschroeiing invloed. Als de door lucht omringde weefsels waterarm zijn, verdragen ze veel liooger temperaturen, dan wanneer ze overvuld zijn met water. Voor waterrijke cellen van gewassen, die geen waterplanten zijn, zal in de meeste gevallen 55° do hoogste temperatuur zijn, die zij nog kunnen aannemen, zonder te verschroeien. De dikbladige planten kunnen in de zon een temperatuur van 50° tot 53°, lang achtereen, zonder nadeel, verdragen. De sporen van de schimmelzwammen Khizopus nigricans en Penicillium glaucum heeft men bij 54° a 55° nog zien ontkiemen en zich verder ontwikkelen. Veel splijtzwammen, met name van het geslacht Bacterium, worden eerst gedood bij een temperatuur van 55°.

In drogen toestand gaan die cellen en weefsels, die zonder bezwaar kunnen uitdrogen, ook onder den invloed van veel hooger temperaturen niet te gronde. De korstmossen, die groeien op de kalkrotsen van de schaduwlooze vlakten op den Karst in Istrië en Dalmatië, Axpicilict calcarea, I crrucaria purpuruscens en Verrucarict calciseda, zijn op wolkenlooze dagen in den zomer, verscheidene uren lang, geregeld blootgesteld aan een temperatuur van 58° tot 60°, zonder daarvan nadeel te ondervinden. En het zoogenaamde Manna-mos, Lerniiora esculenta | het korstmos, ook Spluierothallia csculenta genoemd, waarvan het loof, in stukjes van de grootte eener erwt, door den wind vaak in groote hoeveelheid verspreid wordt en waarmede men het Bijbelsche verhaal van den mannaregen in verband heeft gebracht] waarvan op de volgende bladzijde een afbeelding is gegeven, wordt evenals het gesteente, waarop het groeit in do woestijn, vaak genoeg tot 70° verhit, zonder te gronde te gaan.

Ook de zaden, die dicht aan de oppervlakte in het woestijnzand liggen en hier den langen tijd der droogte slijten, nemen zonder twijfel de temperatuur hunner omgeving aan. Deze bedraagt in den namiddag geregeld 60° tot 70°, wat echter voor de zaden geen kwaad kan; want als daarna weer de regentijd komt, worden ze uit hun zomerslaap gewekt en ontkiemen in den bevochtigden en afgekoelden grond.

Sluiten