Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nog veel minder betrouwbaar dan bij de in de donkere aarde ontkiemende zaden zijn de grondslagen, waarop de berekening der constanten voor de onder den rechtstreekschen invloed der zonnestralen groeiende, bovengrondsche organen wordt opgetrokken. Reeds de omstandigheid, dat de zonnestralen op bladeren, bloemen en vruchten wezenlijk anders werken dan op het kwik van den thermometer, maakt de zaak bedenkelijk. Men kan dit euvel wel daardoor verhelpen, dat men bij alle waarnemingen gelijke instrumenten bezigt en de noodzakelijke correcties aanbrengt; maar belangrijker is het, dat wij geen gegevens hebben, 0111 juist te weten, hoeveel licht in het groeiende, aan de zonnestralen blootgestelde orgaan in w a r m t e wordt omgezet. Bij toenemende hoogte boven de oppervlakte der zee groeit de intensiteit van het licht en tevens groeit zijn beteekenis voor den groei, hoe hooger de plaats is gelegen boven het niveau der zee. Deze betrekking in cijfers uit te drukken, met name bij de in de open lucht waargenomen planten en de daar afgelezen thermometers, is echter onmogelijk.

Men mag niet over 't hoofd zien, dat de opneming van warmte verband houdt met de individualiteit der geobserveerde plant en met de constitutie van het protoplasma der soort. De zaden van Witte Mosterd worden reeds bij temperaturen, die zeer dicht bij het vriespunt liggen, tot groeien geprikkeld, terwijl de zaden der Meloen eerst, ontkiemen, als ten minste 17 dagen lang een warmtegraad van 18,5° invloed op hen heeft gehad. Dat bewijst, dat elke soort in zekeren zin haar eigen nulpunt heeft, waarbij de groei begint, en men moest eigenlijk bij alle berekeningen van de voor den groei der stengels en van de bladeren eener bepaalde soort verbruikte hoeveelheid warmte steeds maar van dit nulpunt uitgaan.

Ook is liet eene door alle tuinlieden bevestigde waarheid, dat bij de meeste planten voor de ontwikkeling der bloemen hooger temperaturen noodig zijn dan voor de ontwikkeling der bladeren, en voor het rijpen van kiemkrachtige zaden weer hooger temperaturen dan voor de ontplooiing der bloemen. De afzonderlijke soorten vertoonen echter ook in dit opzicht raadselachtige afwijkingen. De Acacia, Robiiiia psemlacacia, ontwikkelt in Beneden-Italië haar bloemen vóór de bladeren, en als daar de acaciaboomen reeds in vollen bloei staan, zijn hun blaadjes nog klein en samengevouwen; ten noorden van de Alpen ziet men gewoonlijk de bladeren tegelijk met de bloemen verschijnen. En toch brengen wij in alle gevallen de door den thermometer aangegeven warmte zóó in rekening, alsof ze door de plant in alle ontwikkelingsstadiën op dezelfde wijze ware verbruikt.

Eindelijk moet er nog op worden gewezen, dat bepaalde veranderingen, die gedurende de schijnbare rust van een zaad of een plant in het inwendige plaats hebben, en die voor de latere, duidelijk aan den dag komende groeiverschijnselen een groote beteekenis hebben, volkomen onttrokken zijn aan waarneming en berekening. Als men de aardappels in den herfst uit den grond neemt en in den kelder bergt, dan lijkt het, of in de afzonderlijke cellen alle bewegingen, verplaatsingen en chemische omzettingen geheel hadden opgehouden. De aardappelknol ligt ïustig in de donkere holte onder den grond,

Sluiten