Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

symmetrie is bereikt, die in een lichaam denkbaar is. De eene of andere symmetrie moet zich toch in alle omstandigheden openbaren, en als er geen sprake van is, dat de piasomen den kristalvorm bezitten, ligt het 't meest voor de hand te denken aan netvormige en kogelvormige gedaanten.

Al vindt onze weetgierigheid niet juist veel bevrediging bij dergelijke hypothesen, toch moet men ze daarom niet met geringschatting beschouwen. De fijnste bouw van de stof. waarvan de bewegingen en het geheele werken en optreden zich aan onze zinnelijke waarneming voordoet als leven, heeft teveel boeiends, dan dat wij zouden mogen nalaten, hem op te nemen in den kring onzer beschouwingen over het plantenleven, en de behoefte, die wij hebben, ons van al deze dingen een aanschouwelijke voorstelling te maken, vindt er meer bevrediging in, zich de molecule-groepen als netvormig- en als bolvormige verzamelingen voor te stellen, dan door er zich in 't geheel geen voorstel van te vormen.

Wij mogen hier niet onvermeld laten, dat zich binnen in de georganiseerde deelen der plant, waaraan wij geen kristallijnen bouw mogen toeschrijven, toch werkelijke kristallen kunnen vormen. Tusschen het netwerk liggende, waaruit de huid der slijm zwammen bestaat, treft men geregeld groepen kristallen aan van zuringzure kalk, (zie op de afbeelding van blz. 11 -5 in Fig. 1 tot 7). Ook in den celwand van veel phanerogamen, als Cactaceeën, Nyctagineeën, Commelinaceeën en andere, liggen zulke kristalophoopingen, en de in de celwanden der Litho tham niën afgescheiden koolzure kalk is eveneens kristallijn.

Het is hier de plaats ook nog even onze aandacht te wijden aan de onderzoekingen over de grootte der moleculen. Voor deze onderzoekingen, vooral voor het onderzoek naar de grootte der luchtmoleculen, had men allerlei feiten uit het gebied der natuurkunde, die als punten van uitgang konden dienen, zoo met name de condensatie-coëfficiënten, de afwijkingen van de wet van Mariotte of Boyle, de veranderlijkheid van de uitzettingscoëfficiënten, do verdampingswarmto en eindelijk de diëlectriciteitsconstanten. De resultaten der tot nu toe gedane onderzoekingen laten intusschen nog veel te wenschen over. Zoo wijken bij voorbeeld de langs verschillende wegen voor een bepaald gas verkregen waarden veel meer van elkander af dan die, welke volgens ééne en dezelfde methode voor verschillende gassen werden gevonden. Daarin komen echter alle berekeningen met elkaar overeen, dat de midellijnen der bolvormig gedachte luchtmoleculen tusschen het honderdduizendste en het millioenste deel van een millimeter liggen, en dat deze grenzen, zelfs in de uiterste gevallen, noch naar boven, noch naar beneden eenigszins belangrijk kunnen worden overschreden. Een kubieke millimeter lucht zou dus ongeveer 80(i billioen moleculen bevatten, en zoo de lucht tot vloeistof ware gecondenseerd, zou het aantal tot een trillioen stijgen.

Tot de kleinste grootheden, die ooit gemeten zijn, behoort de lengte der lichtgolven. Stelt men de middellijn van een molecule in een rond getal op het millioenste deel van een millimeter, dan is dat nog altijd 700 maal kleiner dan de golflengte van het roode licht; en de verhouding van de middellijn van

Sluiten