Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

do oppervlakte van het water drijvende vetoogen tot één grooteren droppel vet, waarin dan de omtrekken der afzonderlijke, saamgevloeide doelen spoorloos verdwenen zijn.

Of de versmolten protoplasten hun individualiteit ook werkelijk volkomen hebben opgegeven, is intusschen twijfelachtig. Zekere verschijnselen spreken eerder daartegen dan ervoor. Verscheiden slijmzwammen vormen namelijk zoogenaamde sclorotiën, dat is zij verliezen hun bewegelijkheid en gaan tijdelijk over in een toestand van rust. Daarbij wordt de geheele massa stijf, neemt een wasachtige consistentie aan en laat weer ontelbare, duidelijk begrensde, ronde of hoekige deeltjes onderscheiden. Als dan op het eind der rustperiode de stijf geworden massa weer in een bewegelijken toestand zal overgaan, worden de geïndividualiseerde deeltjes slijinig en er heeft weer een versmelting ervan plaats. Dit bij een gansche reeks van slijmzwammen waargenomen verschijnsel zou de gedachte wekken, dat de in de sclerotiön geïsoleerde lichaampjes beantwoorden aan de afzonderlijke protoplasten, waaruit vroeger de geheele slijmmassa van het zoogenaamde aethalium is ontstaan, dat zij echter hun individualiteit niet hadden opgegeven, al waren ook hun grenzen in de massa niet meer te onderkennen.

De gemeenschappen van saamgesmolten, geen cel wand bezittende protoplasten zijn overigens weinig in aantal vergeleken bij de ontzettende menigte van die vereenigingsvormen, waarin elk der protoplasten van een celwand is voorzien. Deze door celwanden saamgehouden vereenigingen van protoplasten noemt men celgemeenschap pon. Men brengt ze ter vergemakkelijking van het overzicht tot vier groepen, die als reeksen, netten, platen en weefsels worden onderscheiden.

Hoe een reeks van cellen eruit ziet, duidt de naam reeds aan. Ten opzichte van het ontstaan van zulk een reeks, valt op te merken, dat de tusschenschötten, die zich bij de celdeeling in de cellen vormen, altijd denzelfden stand innemen, dat zij namelijk steeds loodrecht op de lengterichting van do reeks cellen staan en dus aan elkander evenwijdig zijn. Naar den verschillenden vorm der afzonderlijke cellen richt zich ook het algemeeno aanzien, dat zulk een rij van cellen heeft. Zijn de afzonderlijke leden der reeks bolvormig, dan krijgt men parelsnoerachtige ketens, zooals bij de Nostocaceeën worden aangetroffen; stollen de afzonderlijke cellen korte of lange cyliiiders voor, dan ontstaan door do aaneenrijging draadvormige reeksen, die zeer dikwijls bij Zygnemaceeën en Odogoniaceeën worden opgemerkt; nemen de cylindrische cellen naar één zijde in lengte toe en in dikte af, dan ontstaan zweepvormige reeksen, zoo als bij voorbeeld bij do soorten van het geslacht Muxtichonema. Soms zijn de afzonderlijke leden der reeks plaatvormig en de plaatjes zijn aan de smalle zijden met elkander verbonden, in welk geval lintvormige reeksen ontstaan, zooals bij Fragillaria, of de aaneengrenzende, plaatvormige cellen zijn enkel aan de hoeken verbonden, in welk geval de reeks een zigzaglijn beschrijft, als bij het geslacht Diatoma (afgebeeld op blz. 76, in Fig. 15 en 16 van Deel I.)

Sluiten