Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de netten of netvormige cel gem een scha pp en zijn de talrijke cellen bij tweeën of drieën, een enkele maal ook bij vieren onder hoeken van overeenkomstige grootte met elkaar vergroeid op betrekkelijk kleine aanrakingsvlakken. De bij de celdeeling ingelaschte tusschenschotten loopen niet alle evenwijdig met elkander, maar zijn naar meer dan één richting in de ruimte gekeerd- Men onderscheidt open en gesloten netten. Bij de eerste, die't best te vergelijken zijn bij 't riviernet op een landkaart, vormen do cellen slechts zelden gesloten mazen, maar loopen als de tanden van een vork uiteen, en hunne groepeering maakt ook den indruk van een vorksgewijze vertakking. Deze open netten komen zeer veelvuldig voor, met name bij de myceliön van vele zwammen, bij de soorten der groene, in het water levende Confervaceeën, als Cladophora en Chaetophora en bij talrijke roode Florideeën. Veel zeldzamer zijn gesloten netten met zeshoekige mazen, als bij voorbeeld die van Hydrodictyon utriculatum.

De platen of plaatvormige celgemeenschappen bestaan uit cellen, die in één vlak gelegen, zonder tusschenruimten aan elkander sluiten. Do bij de ontwikkeling van dezen vorm in de afzonderlijke cellen ingevoegde tusschenschotten zijn gekeerd naar twee richtingen in de ruimte en snijden vaak elkander onder rechte boeken. Zulke celgemeenschappen vormen of dunne lagen op andere vaste lichamen en drukken zich dan stevig tegen alle oneffenheden der onderlaag aan, zooals bij voorbeeld het geval is met Protodenna riride, die in bergbeken op steenen en oude stukken hout wordt gevonden, of zij doen zich voor als vliesjes, banden en dunne bladachtige vormingen, die slechts op één punt met de onderlaag zijn vergroeid en overigens vrij in het water drijven. Zoo is liet bij voorbeeld gesteld met verschillende Florideeën en Ulvaceeën. Somwijlen zijn de plaatvormige celgemeenschappen geworden tot volkomen vrije, nergens vastgegroeide kleine plaatjes en schijven, wat vooral bij liet geslacht Pediastrum wordt waargenomen. Do blad- en lintvormige platen, die in het water drijven, zijn slechts zelden geheel vlak; meestal zijn de vlakken in veel richtingen verbogen, gegolfd en groefvormig uitgehold; ook is de rand vaak gekroesd of gespleten en verdeeld in slippen en lobben, en zulke vormen zijn dan eigenlijk tusschenvormen, half celplaat, half-celnet. Wat de grootte aangaat vindt men alle mogelijke trappen vertegenwoordigd, van de schijfjes van Pediastrum en de kleine nietige, in gletscherbeken levende vliesjes van Prasiola tot de in de zee groeiende Ulvaceeën, waarvan vele tot vliezen ter grootte van een vierkanten meter uitgroeien.

Weefsels of weefselvormige celgemeenschappen noemt men die groepen cellen, wier elementen naar drie richtingen in do ruimte aan elkander sluiten. Zoowel op de dwarse doorsnede alsook op de lengtedoorsneê herkent men bij deze gemeenschappen ten minste twee, in den regel echter meer op elkander volgende lagen van cellen. Meestal is het geheele lichaam in de eeno richting veel meer gerekt dan in de andere. Ten gevolge daarvan hebben zij of den vorm van cylinders en prisma's, of de gedaante van dikke haren, touwen en koorden; veel van hen doen denken aan do gedaante van wormen of gelijken

Sluiten