Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spreid plantendeel, dat, met de groene kleur getooid, een gewoon blad was, en in roode, blauwe of andere kleuren uitgedost, een bloemblad moest heeten. Eerst in de 18de eeuw, vooral onder den invloed van Goethk's leer der Metamorphose, waarover wij reeds op blz. 10 van Dl. I hebben gesproken, gebruikten de botanici het woord blad ook voor de dikke, vleezige rokken van bollen, voor de schubben van overwinterende knoppen, voor veel doornen en ranken, voor meeldraden en deelen van den vruchtwand. Er bestonden daarvoor drieërlei redenen. Allereerst de wensch, de buitengewoon veelvuldige verschijnselen overzichtelijk te kunnen samenvatten, het streven, een eenvoudige, algemeene natuurwet te vinden, waaronder de vormen der tallooze afzonderlijke levende wezens zich lieten brengen; verder de analogie met betrekking tot de wijze van ontstaan, de feitelijk waargenomen overeenstemming der jeugd-toestanden van de later zoo verschillend zich ontwikkelende vormen, en eindelijk ook nog de omstandigheid, dat soms uit doornen, ranken, meeldraden en vruchtwanden door abnormale, uitwendige invloeden, met name door de werking van mijten en andere dieren, werkelijk groene bladeren ontstaan.

Men dacht zich nu een oer- of grondvorm van het blad, waarbij de meest algemeen bekende vorm van 't gewone groene blad op den voorgrond trad, en stelde zich voor, dat de andere genoemde vormen, die wel niet in gedaante, maar dan toch naar hun oorsprong, met de groene bladeren overeenkomen, door verandering eruit waren voortgekomen, dat zij, om zoo te zeggen, als bladeren moesten worden beschouwd, maar als veranderde, ge me tam oiphoseerde bladeren. I)e bolscliubben en -rokken, de meeldraden, de deelen van den vruchtwand zijn volgens deze opvatting gemetamorphoseerde bladeren, al beantwoorden ze ook, na hun volle ontwikkeling te hebben bereikt, niet aan de voorstelling, welke een niet-botanicus zich maakt van een blad.

Als oorzaak der vervorming werd eerst beschouwd het streven naar volmaking, de geleidelijke verfijning van de in den eersten aanleg der bladeren opgenomen vochten, en nog wel andere opvattingen werden daaromtrent gehuldigd; in den nieuweren tijd brengt men de metamorphose met de verdeeling van arbeid en met do verandering van functie bij de verschillende leden der plant in verband. De gewone, groene bladeren bereiden in liet zonlicht organische stoffen uit anorganisch voedsel; zij zijn echter niet gelijktijdig geschikt voor de vorming der zaden, nog minder voor de voortbrenging van pollen of stuifmeel, en zouden ook niet geschikt zijn voor de rol der onderaardsche voorraadschuren, om reservevoedsel in te bewaren. Daarom nemen bepaalde bladeren van de plant andere, voor de genoemde verrichtingen beter passende gedaanten aan, of met andere woorden, zij metamorphoseeren zich in overeenstemming met de hun opgedragen taak. Wij zien dus, dat zich voor de voortbrenging van stuifmeel geen groene bladeren, maar meeldraden ontwikkelen ot „pollenbladen", en dat zich als bewaarplaatsen voor reservestoffen in den donkeren schoot der aarde geen groen, vlak uitgespreid gebladerte vormt, maar zich dikke, witte, vleezige schubben ontwikkelen.

Naar hunnen oorsprong en in de eerste ontwikkelingsstadiën gelijken echtei

Sluiten