Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stengel verbonden blijft. Deze vormen dragen den naam steunbladeren of stipulae.

Bladeren, waarbij bladschijf, steel, sclieede en steunbladoren duidelijk zijn te onderscheiden, treft men minder dikwijls aan dan bladeren, waar het eene of het andere dier onderdeelen ontbreekt. Van steunbladeren is vaak geen spoor te ontdekken. Menigmaal is de bladscheede enkel voorhanden in den vorm van een concaaf schubbetje of vliesje; in andere gevallen ontbreekt de bladsteel, en de bladschijf is dan onmiddellijk aan den stengel gezeten, (zie op de afbeelding van blz. 110, Deel I) of het komt ook voor, dat het groene weefsel der bladschijf den ganschen stengel als een kraag omsluit, zoodat men zou kunnen denken, dat de stengel door het blad was heen gestoken of er door was gegroeid. Vormen twee of meer van zulke bladeren met ongesteelde bladschijf een krans, dan kunnen ze, geheel of gedeeltelijk verbonden, een schotel of een beker vormen, en ook dan maakt het den indruk, alsof de stengel door het midden van de vergroeide hladerengroep ware gestoken, zooals op de afbeeldingen van blz. 292 in Deel I is voorgesteld. Soms ziet men het groene weefsel van zittende bladschijven in den vorm van twee groene lijsten of vleugels langs den stengel naar beneden loopen. Men heeft voor deze vormen in de botanische kunsttaal de uitdrukkingen: zittende bladeren, folia sessilia; doorgegroeide bladeren, folia perfoliata; saamgegroeide bladeren, folia connata, en afloopende bladeren, folia decurrentia. De stengel heet in dit laatste geval gevleugeld. Bij deze bladeren-terminologie moet nog de opheldering worden gegeven, dat men vroeger en ook nog wel tegenwoordig bij het beschrijven van planten de bladschij ven, als het meest in 't oog vallende gedeelte van het blad, kortweg blad, folium, lieeft genoemd.

Van groot belang is de indeeling der bladeren met betrekking tot de plaats, waar zij aan den stengel ontspringen. In dit opzicht moet men allereerst kiembladeren of zaadlobben, en stengelbladeren onderscheiden. De eerste vindt men enkel bij de kiem of het embryo, de laatste bij al die vormingen, die onder den naam stengel, tak of loot worden saamgevat. De kiem, die zich in den aanleg van het zaad op een later uitvoeriger te behandelen wijze ontwikkelt, is in vele gevallen een embryo zonder een spoor van bladeren, zoo bij voorbeeld bij verscheiden duizenden Orchideeën, bij de talrijke Balanophoreeën en Kafflesiaceeën, de soorten van 't geslacht Orobanche, Bremraap; van I'irola, Wintergroen; Utricularia, Blaaskruid; Monotropa, Stofzaad; van Schweinitzia; van Cuscuta, Warkruid en nog vele andere, die behooren tot derottingsplanten, de dierenvangende en de woekerende gewassen of tot do planten, die in voedingsgemeenschappen leven. Bij deze planten vindt men als kiem een weefsellichaam, waaraan nog in 't minst geen verdeeling in stengel en blad is te herkennen, of beter gezegd, ten tijde van 't verlaten van zijn omhulsel vertoont het embryo een stengel, waaraan zelfs de aanleg van bladeren ontbreekt.

In de meeste gevallen echter is aan de in het zaad verborgen kiem een duidelijke verdeeling te herkennen en men ziet éën, twee of meer bladeren, die uitgaan

Sluiten