Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dezulke, welker zaden slechts een lederachtige, minder stevige omhulling bezitten.

Als voorbeelden mogen dienen de walnoot en de hazelnoot, de eik, de kastanje en de paardekastanje, amandel, kers, abrikoos en perzik, laurier en pimpernoot (Staphylea), de waterlelies (S yniphneu en Oostindische kers

(Tropaeolum), pioenrozen en anemonen, de Engbloem (<Cynnnchum vincetoxicum) en vele andere.

De beide van het hypocotyle lid uitgaande bladeren, de zaadlobben, vullen in het zaad van al deze planten bijna do geheele door de zaadhuid omsloten ruimte en de knop der kiem, alsook het worteltje, liggen tusschen de groote zaadlobben als een gedroogd plantje tusschen de vellen papier van een herbarium. Ook zijn de zaadlobben dik, stevig en gezwollen, meestal vleezig van aanzien en altijd betrekkelijk zwaar. Vele dier zaadlobben zijn golfvormig gebogen en zelden maken ze den indruk van een blad. Soms zijn beide zaadlobben van voren tot een massa saamgegroeid, als bij voorbeeld bij kastanje en paardekastanje, bij waterlelies en Oostindische kers en dan is al wat men gewoon is als kenmerk van een blad te beschouwen, totaal afwezig.

Als zulke zaden vocht uit de omgeving tot zich hebben genomen en beginnen te kiemen en te groeien, springt allereerst de zaadhuid open aan het eene einde van het zaad, en 't worteltje en het stengeltje en ook do dikke stelen der beide zaadlobben worden door de spleet naar buiten geschoven. De zaadlobben zelve blijven daarentegen, door de zaadhuid omhuld, in de holte achter, verliezen verder aan gewicht, naar gelang ze stoffen afgeven aan de genoemde groeiende deelen, vermageren en zijn eindelijk geheel geslonken, verschrompeld, en uitgezogen. Het naar buiten geschoven worteltje heeft zich daarentegen zichtbaar vergroot, buigt zich naar beneden, dringt loodrecht in den grond en krijgt bijwortels met wortelharen, die nu uit den grond voedsel opzuigen.

Het knopje, dat tusschen de korte, dikke stelen der beide zaadlobben als opgesloten was, heeft zich integendeel omhoog gebogen, wordt vrij snel langer en groeit uit tot een spruitje, dat bij de Oostindische kers dadelijk groene, gelobde bladeren, bij andere planten, als bij voorbeeld bij den E i k eerst schubvonnige lagere overgangsbladeren en pas daarboven gewone groene bladeren ontwikkelt. Op de afbeelding van blz. 21)2 in de Fig. 1, 2, 5 en f> zijn deze verschijnselen zoowel bij de Oostindische kers als bij den eik in beeld gebracht. De zaadlobben werken hier eerst als bewaarplaatsen van reservevoedsel en tegelijk als beschuttend omhulsel van de kleine, ertussclien gelegen kiem, en verder hebben zij tot taak, de kiem uit de ruimte binnen de zaadhuid zoo ver naar buiten te schuiven, dat de leden naar behoefte zich kunnen verlengen, en gedeeltelijk naar het licht, gedeeltelijk naar do donkere diepte der aarde kunnen groeien. Hebben de zaadlobben deze taak volbracht, dan sterven ze; de uitgezogen zaadlobben blijven achter binnen in de zaadhuid, gaan evenals die laatste na korten tijd tot verrotting over en verdwijnen zoo volledig, dat op de plaats, waar ze met het hypocotyle lid in verbinding stonden, bijna geen spoor van hun aanhechting meer is te onderscheiden.

Een zeldzame vorm van zaadlobben is die der Wat er noot, 1 ra pa, de

Sluiten