Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stevigen kegel aaneengesloten toppen der zaadlobben moeten, nadat ze de ruimte van de zaadhuid hebben verlaten, meestal ook nog de daarboven gelegen aardlagen doorboren, en eerst als dat is geschied, kunnen zo zich ontplooien en groen worden. Bij dit dringen door den grond zijn de zaadlobben aan zooveel gevaren blootgesteld, dat er bijzondere inrichtingen zijn aangebracht, om de vooruitdringende toppen te beschermen, en wel de overblijfselen van den doorgebroken vruchtwand, öf sterk turgesceerende cellen, ongeveer zoo als bij de knievormig gebogen, den grond doorborenden zaadlob van de Looksoorten, reeds op blz. 294 genoemd.

In het negende geval hoeft de kiem twee of ook wel meer zaadlobben, die in den loop der ontkieming geheel uit de zaadhuid naar buiten worden getrokken, zich uitspreiden in het zonlicht, groen worden en tot gewone bladeren uitgroeien. Het komt voor, dat zulke zaadlobben eerst werken als zuigorganen, dat ze namelijk in het zaad tegen een voorraad kiemwit aan gelegen zijn, er de voor den eersten groei noodige bouwstoffen aan ontleenen en eerst dan uit do zaadhuid naar buiten komen, als de voorraad voedsel uitgeput is.

Zoo gaat het bij voorbeeld met de reeds herhaaldelijk genoemde Bolderik, Ai/roMi'iHDia Githmjo, welker twee op elkander gelegen zaadlobben hoefijzervormig 0111 het met meel overvulde kiemwit heen zijn geplaatst, na 't verbruik van dit voedsel echter uit de zaadhuid worden getrokken, uiteenwijken en groen worden, (/ie de afbeelding op blz. 285 in ï)f/. 7 tot 10). Bij Jiiciuus communis, Wonderboom, afgebeeld in Fifj. 1 en 2 aldaar, berst de zaadhuid bij 't begin der ontkieming; de tegen elkaar aaneensluitende groote zaadlobben worden met het hen omhullende kiemwit naar buiten gehaald en het uitzuigen van den voorraad reservevoedsel heeft daarop eerst na het verlaten der zaadhuid plaats. Hierna volgt dan het uiteenspreiden en het groenworden der beide zaadlobben in het zonlicht. Mij de Kalebas en bij vele andere soorten van de hier bedoelde groep is het weinige reservevoedsel in de zaadlobben zelve opgehoopt. Spoedig na het begin der ontkieming komt het worteltje van de kiem te voorschijn, groeit in den grond en trekt dan ook de zaadlobben uit de holte der zaadhuid naar buiten.

Het proces van dat naar buiten trekken van de zaadlobben uit de zaadhuid is zoo merkwaardig, zooals het zich afspeelt bij de soorten van deze negende groep, dat liet de moeite loont, het eens nauwkeurig na te gaan iu zijn meest in t oog springende vormen. Allereerst mag als voorbeeld voor een groot aantal soorten de reeds zooeven genoemde Cucurbita l'epo, Kalebas of Pompoen worden aangevoerd, waarvan de ontkieming is afgebeeld op blz. 29(S in Hg. 1. Het zaad dezer plant is vrij groot, aan twee zijden afgeplat, eivormig, afgerond aan 't eene einde, aan het andere uiteinde een weinig versmald is en scheef afgesneden. Op die laatste plek is een kleine opening aanwezig. Wordt kalebaszaad uitgestrooid, dan komen de zaden met een der afgeplatte kanten op den grond te liggen en raken daar licht verbonden met stukjes aarde, vooral wanneer zo op hun oppervlakte nog liet kleverige sap van 't vruchtvleesch hebben behouden, wat bij het natuurlijke uitstrooien van

Sluiten