Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het zeer korte hypocotyle lid te voorschijn gekomen stelen der zaadlobben groeien snel in de lengte en maken dezelfde S-vormige bocht, die bij het hypocotyle lid van de kalebaskiemplant voorkomt; zij oefenen ook op de nog in den vruchtwand besloten bladschijven der zaadlobben een dergelijke werking uit en trekken deze te voorschijn. Zoodra dat is geschied, strekken de stelen zich dadelijk en de door hen gedragen, vlak uitgespreide zaadlobben wenden hun bovenzijde naar het licht.

Bij het boven den grond komen der zaadlobben, nadat ze uit den vruchtwand of de zaadhuid, die onder den grond lag, te voorschijn zijn getreden, wordt door het oprichten van liet als trekwerktuig dienende hypocotyle lid een werking op de boven de kiemplant liggende aardlagen uitgeoefend; de zaadlobben nemen de deeltjes aarde, als het ware, op hun rug en heffen ze omhoog, zonder ze eigenlijk door te breken of er door heen te boren. Daarbij is de kans voor verwonding of beschadiging van de zaadlobben niet groqt, en de meening, dat daarom die zaadlobben t veelvuldigst voorkomen, welker losmaking en ontplooiing naar het voorbeeld van Kalebas en Duivelsdrek plaatshebben, is ten volle gerechtvaardigd. Planten, welker rechtop geplaatste kiem door middel van de tot een kegel aaneensluitende toppen der zaadlobben den vruchtwand en de daarboven gelegen aarde moot doorboren, zooals bij voorbeeld Curdojxitium corynibosuiii, (afgebeeld op blz. 298, in F'kj. 5), zijn daarentegen zeer zeldzaam.

In al die gevallen, waar de zaadlobben door een spleet of een opening in vruchtwand of zaadhuid naar buiten worden getrokken, schijnt het natuurlijk, dat de opening een middellijn heeft, die minstens zoo groot is als die van de eruit getrokken bladschijven der zaadlobben. In den regel is dit ook het geval, maar enkele malen is de eruit gehaalde zaadlob feitelijk broeder dan de spleet in den vruchtwand, en men vraagt zich verbaasd af, hoe dan het naar buiten halen kon geschieden zonder beschadiging van liet weefsel. De zaak is zóó. Vóór nog het trekken begint, rollen zich de binnen in liet zaad bevindende zaadlobben samen en worden dan als een lange rol door de nauwe opening van den vruchtwand naar buiten getrokken. Nauwelijks vrijgelaten, ontrollen ze zich dan weder en spreiden zich vlak uit. Zoo gaat het bij voorbeeld bij de Immortelle, Helichrysum annuuin, afgebeeld op blz. 298, in Fig. 3 en 4, verder bij de Umbellifeer Smyrniuiu Olusatrum en bij nog verscheiden andere. Hij sommige planten, als bij voorbeeld bij den Beuk, Fikjus sylvatica, zijn de zaadlobben, zoolang ze in den vruchtwand zijn gelegen, als een waaier in de lengte saamgevouwen, nemen in dezen stand slechts weinig plaats in, kunnen ook door een betrekkelijk kleine spleet naar buiten worden getrokken, en spreiden zich, nadat dit is gebeurd, binnen korten tijd vlak uit, zooajs de afbeelding van blz. 311, in Fiy. 1 tot 3 laat zien.

Van de beide zaadlobben van Iterocarya Caucasira, [een plant tot de familie der Juylandaceae behoorende, waarvan wij ten onzent de Walnoot, Ju glans regin, als vertegenwoordiger hebben |, is ieder verdeeld in vier slippen. Elk tweetal daarvan, dicht tegen elkander gelegen, bevindt zich in een afzonderlijke

Sluiten