Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

holte van het zaad. In 't geheel vertoont de vrucht vier vakjes, en in elk daarvan ligt zulk een paar smalle, dicht op elkaar gelegen gedeelten. De opening van don op die van een noot gelijkenden vruchtwand biedt nu juist zooveel ruimte, dat telkens twee van die op elkaar liggende slippen kunnen worden naar buiten getrokken, en het naar buiten halen heeft dan ook niet te gelijkertijd plaats, maar altijd zoo, dat de slippen bij paren 11a elkander voor den dag komen. Evenzoo gedragen zich de zaadlobben van Schizopetalon 1 Valkeri, waarvan ieder in twee lange, smalle slippen is verdeeld, die de een na de ander uit de kleine opening van het bolvormige zaad naar buiten worden gehaald. Ook bij de kiemplanten van Dennen en Sparren, die vijf en moer kransstandige, smalle, lijnvormige zaadlobben bezitten (zie de afbeelding van een J.6«es-soort op blz. 311, in Fiy. 0), treedt de eene lob na de andere uit de zaadhuid, en het zal wel geen vergissing zijn, als men de breedte en de lengte en tevens den vorm der zaadlobben in verband brengt met den innerlijken bouw en met do manier van openspringen van vruchtwand of zaadhuid.

Ook de uitwendige vorm van liet zaad en de stand, dien het tengevolge van zijn gedaante bij 't neervallen inneemt, hebben in dit opzicht een gewichtige beteekenis. Komt het zaad zóó op den grond te liggen, dat de as van het hypocotyle lid loodrecht op de aardoppervlakte en de punt van liet worteltje naar boneden gericht is, dan lijkt dat op 't eerste gezicht een zoor gunstige stand, maar in werkelijkheid is die stand niet zoo gunstig. Hierbij toch moet hot hypocotyle lid do meest ingewikkelde bochten maken, 0111 de zaadlobben uit hot zaad te kunnen trokken. Daarentegen zijn de omstandigheden liet gunstigst, als de as van liet hypocotyle lid samen met liet worteltje evenwijdig aan de oppervlakte van den grond komt te liggen.

Bij dezen laatsten stand kan liet worteltje dadelijk na het verlaten der zaadhuid, onder een rechten hoek zich ombuigend, 111 den grond groeien, en aan den anderen kant kan het hypocotyle lid het snelst de zaadlobben uit hun omhulling te voorschijn trekken. (Zie de Fi</. 1, 5, 7 en 14 van de afbeelding op blz. 285 en F'kj. 1, blz. 298). Als men zaad uitstrooit, nemen de korrels ook in den regel den laatstgenoemden stand aan. De platte of saamgedrukte zaden komen met hun platte zijde op den grond te liggen, de eivormige en de langgerekte, cylindrische korrels vallen zóó op den grond, dat de langste as evenwijdig loopt met den bodem, en ook bij bolvormige zaadkorrels ligt het zwaartepunt altijd zóó, dat de kiem een zoo gunstig mogelijken stand verkrijgt.

Ieder, die nauwkeurig acht geeft op liet verloop van dat merkwaardige uittrekken der zaadlobben uit het zaad, moet ook terstond de beteekenis vatten van talrijke bijzonderheden, die aan de buitenzijde van de zaadhuid of den vruchtwand zijn op te merken, liet is duidelijk, dat het te voorschijn halen van de zaadlobben alleen dan zonder hinder plaats heeft, als de zaadhuid of vruchtwand niet de speelbal is van de eerste de beste lucht- of waterstrooming, als het zaad, waaruit de zaadlobben moeten worden naar buiten getrokken, op de eene of andere manier vastzit, en als er inl ichtingen zijn getroffen, die een verandering in den eenmaal door den zaadkorrel aangenomen gunstigen stand beletten.

Sluiten