Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nadat ze als toestellen voor de verspreiding hunne diensten hebben bewezen, bevestigingsmiddelen van het zaad worden, zijn er echter ook, die met de verspreiding in 't geheel niet in verband staan en blijkbaar geen andere be teek e nis hebben, dan dat ze de zaden op het kiem bed moeten vasthouden. In dit opzicht doen allereerst kleefstoffen dienst, die uitgaan van de oppervlakte der zaadhuid en waardoor de zaden aan den grond worden bevestigd. Zij treden altijd op, als de oppervlakte van het zaad bevochtigd wordt, als de aarde, die tot kiembed dient, met regenwater gedrenkt wordt, en een deel van dit water ook op de daarop en daarin gelegen zaden wordt overgebracht.

In de meeste gevallen gaat do slijmige massa, die als hechtmiddel dient, van de opperhuidcellen uit, zooals met name het geval is bij soorten van de geslachten Vlas en Weegbree, Linum en Plantago, bij Tuinkers, Lepidium sativum en Gewone Huttentut, Camelina sativa, bij Klein Taschjeskruid, Tcesdalia, bij Gilea en Collomia en bij nog vele andere soorten van allerlei verschillende geslachten, die echter in dit eene niet elkander overeenstemmen, dat de zaadhuid een volkomen gladde oppervlakte heeft. Hij het Bazielkruid, Oajmum Basilicum, alsook bij de talrijke soorten der geslachten Salie en Drakenkop, Salvia en Dracocephalum, gaat de slijmerige zelfstandigheid uit van de gladde oppervlakte van den vruchtwand. Vaak zijn liet alleen bepaalde, in rijen geplaatste cellen op de oppervlakte van zaadhuid of vruchtwand, waarin het kleverige slijm wordt gevormd, als bij de Nieuw-Zeelandsche Selliera en bij vele samengesteldbloemigen, waarvan de Kamille, Mutricaria Cliaiiioniilla, als de bekendste soort op den voorgrond moet worden gesteld. Ook bij de soorten van het geslacht Oxybaphus zijn vijf lengteribben op de zaadhuid voorzien van bijzondere organen ter afscheiding van slijm. Als die huid vochtig wordt, komen er vijf witte, slijmerige strepen voor den dag, die de vasthechting aan liet. kiembed bewerkstelligen.

Bij vele samengesteldbloemigen, bij voorbeeld bij 't Gewone Kruiskruid, Senecio vulgaris, alsook bij do soorten der geslachten Euriops, Doria, Trichocline enz. zijn bepaalde haren op den vruchtwand ontstaan, die liet aanklevend slijm afscheiden. Weer in andere gevallen, bij voorbeeld bij vele Aroïdoeën, wordt het kleefmiddel niet door cellen van de opperhuid afgescheiden, maar op de zaden, die in vleezig vruchtvleesch zijn geplaatst, blijft een deel van het vruchtvleesch of het sap der vrucht achter, en dit vormt, als liet verdroogt, een korst. Als zulke zaden later bevochtigd worden, verandert de korst weer in een slijmerig-kleverige massa, waardoor de zaden op de onderlaag vastkleven. Vaak vormt ook de geheele, saprijke, verrottende vruchtwand het bevestigingsmiddel voor de zaden, wat vooral bij meloenen, komkommers, kalebassen en andere Cucurbitaceeën, alsook bij talrijke gewassen met bes- en steenvruchten het geval is.

Bij veel planten, zooals bij de Bolderik, afgebeeld op blz. 285 in Fiij. 7 tot 10, en het op kleiachtigen grond veelvuldig [bij ons echter slechts zeldzaam] voorkomende Vinkenzaad, Xeslia paniculata, een Crucifcer, wordt de beves-

Sluiten