Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hechten zich in de diepte van poelen en plassen met behulp dier van weerhaken voorziene punten vast aan zich op den slijkbodem onder water bevindende plantenresten en worden daar inderdaad voor anker gelegd. L)e uit de noot naar buiten groeiende kiemplant kan dan ook niet den stevigen vruchtwand mee omhoog tillen; die blijft vast op de plaats, waar hij is terecht gekomen. Natuurlijk zullen de doornen ook nog de aanvallen af weren van de dieren, die begeerig mochten zijn van den voedzamen inhoud der noten te proeven.

Zeer merkwaardige inrichtingen, die een vastleggen der vruchten op de voor ontkieming meest geschikte plaats bewerken, neemt men ook waar bij verschillende steppengrassen, als bij voorbeeld Stipa, en bij de soorten van het geslacht Erodiutn, lieigersbek. De Stipa-grassen behooren tot de meest in 't oog vallende planten der steppe en zij vormen er een karakteristieken trek in liet landschapsbeeld, terwijl zij met verschillende vlinderbloemigen, met name met gomleverende struiken, als Astragalus, en verder niet veel Samengesteldbloemigen, Anjelieren en kleine Lischbloemen het hoofdbestanddeel vormen van hot plantenkleed, of nog beter gezegd, liet fond voor den kleurenrijkdom ■ van liet over vele steppen uitgespreide plantentapijt. De Stipagrassen nu, ook Yedergrassen genoemd, laten uit het scheedevonnig blad aan liet boveneind der halmen een bundel lange, witte veêren te voorschijn komen, die wapperen in den wind en met een bos reigerveêren te vergelijken zijn. Dit zijn kafnaalden, die zich als de grassen uitgebloeid zijn, zoo buitengewoon verlengen, als bij geen ander gras het geval is.

Het kafje, dat gekroond is door deze vedervormige, met twee rijen haren bezette kafnaald, omsluit, samen met een tweede, kort en niet van een naald voorzien kafje, de kleine vrucht. Zoodra die laatste rijp is, laat het steeltje, los, dat het om de vrucht gewikkelde, intusschen zeer hard geworden kafje draagt; de eerste, krachtige windstoot voert do losgeraakte, omwikkelde vrucht weg en drijft haar als een donsveêrtje over de steppe voort. De van het kafje uitgaande, lange, op een veêr gelijkende kafnaald heeft dus allereerst de beteekenis van een vliegwerktuig, als zooveel andere veêr- of vleugelvormige aanhangselen, waarvan vruchten en zaden zijn voorzien, en zij helpt mee aan de verspreiding van de bedoelde grassoort over de wijde ruimte. Zij heeft echter, nadat ze hier of daar op den bodem der steppe is gestrand, ook nog een verdere taak.

Gesteld het geval, dat een vruchtje van zulk een gras zóó op den kalen grond was gevallen, als door de afbeelding op blz. 306 is voorgesteld. Dat gedeelte, dat in het hard geworden kafje de vrucht houdt besloten, zal, als het zwaarste, natuurlijk het eerst met den grond in aanraking komen, endaar het eind van dat gedeelte hard wordt en zeer spits is, blijft de gestrande vrucht menigmaal dadelijk na het stranden in den grond steken, zooals bedoelde afbeelding in Fiij. 1, laat zien. Valt de vrucht schuin neer, dan wordt het binnendringen van het spitse einde teweeggebracht door een later omdraaien en zwenken van de in de lucht omhoog stekende, lange veêr, en dit eerste binnendringen wordt nog begunstigd, doordien het puntje een weinig naar ééne zijde gebogen is.

A. Kerner von Marii.*un, Het leven der planten. II. 20

Sluiten