Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blijft de eene in wasdom achter en sterft, terwijl de tweede zich buitengewoon ontwikkelt en tot een op den grond liggend gewoon groen blad uitgroeit, zooals de afbeelding hieronder, in Fig. 17 tot 20 dit voor Streptocarpus Bexii laat zien. Zeldzaam genoeg ontwikkelen verschillende andere soorten van dit geslacht, als bij voorbeeld Streptocarpus Benguelensis, polijanthus en Wendlandi in 't geheel geen andere groene bladeren, maar ver-

Verschillende vormen Tan zaadlobben. 1, 2 en 3. Beuk, fagus si/lvattca. 4. Gewone Duivenkorv cl, Fumavia officinale. 5. Zachtharige Hennepnetol, Galeopsts pubescens. 6. Abies oriënt «lis, een soort van Spar. 7. A kkerwinde, Convolvulus arvensis. 8. Bernagi-e, Iiorayo officinalis. 0. Smalbladig Kruiskrnid, Seneao eruit folius. 10. Hondsroos./^ canhia. 11. Gemoene Reigersbek, Erodium cicutariwn. 12. Guamocht coceuiea. 13. Grootbladige Linde, Til ia grandifolia 14. Tuinkers, Lepidium satmtm. 15. Eucalyptus onentalts. 16. Eucalyptus coriaceus. 17 tot 20. Streptocarpus Ilexu. Zie blz. 310 tot 312.

genoegen zich met uit de eene zaadlob een reuzengroot blad te vormen, dat soms de lengte van 30 en de breedte van 20 centimeter bereikt en op den grond ligt, terwijl uit de dikke middennerf later de bloemsteel oprijst.

Dat de zaadlobben, die groen worden, evenals andere groene weefsels het vermogen bezitten, in het zonlicht uit voedingsgassen en water met behulp van de opgezogen voedingszouten organische stoffen te produceeren, is buiten twijfel. Gewoonlijk verschijnt liet bladgroen eerst, nadat de zaadlobben uit de zaadhuid zijn te voorschijn gekomen en zich in het zonlicht hebben uitgespreid. Menig-

Sluiten