is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lussen in het middelveld nog vrij ver verwijderd van den rand der bladschijf; bij Kerseboom en Wegedoorn vormen de lussen zich daarentegen dichtbij den rand van het blad. Menigmaal zijn de zijnerven zeer fijn, loopen in rechte lijnen van de hoofdnerf tot dichtbij den rand, buigen zich dan echter plotseling knievormig om en maken er ongeveer een rechten hoek, waarna het eene been van dien hoek evenwijdig aan den bladrand verder loopt en zich dan aansluit bij de knie van de ervoor gelegen zijnerf. Op die wijze ontstaat rechts en links aan eiken kant een parallel aan den rand van het blad verloopende zijnerf, die met de middelste, de hoofdnerf, door dwarsloopende lijnen is verbonden. Deze vorm van lusnervige bladeren komt zeer geregeld voor bij de Myrtaceeën, maar ook verscheiden tropische Moraceeën zijn erdoor gekenmerkt, en het blad van 't Vergeet-mij-ni e tj e, Myosotis, op blz. 321, in F'kj. 10 afgebeeld, vertoont ook dezen eigenaardigen loop der zijnerven.

Boognervig, camptodroom, noemt men bladeren met zijnerven, die van hun punt van oorsprong aan de hoofdnerf verloopen naar den rand van het blad, maar dien niet bereiken; zij koeren zich eerder in een boog naar den top van het blad en loopen flauw uit, zonder ergens duidelijke lussen te vormen. In den regel zijn de punten van uitgang in dit geval saamgedrongen in do benedenste helft der hoofdnerf, en de beide bovenste boogvormige zijnerven omvatten dan een ovaal middelveld. Als voorbeeld voor dezen vorm, die vooral kenmerkend is bij de Cornaceeën, werd op de afbeelding van blz. 321, in Fi(f. 3, gekozen de Eetbare Kornoelje, Cornus mas.

Kandnervig, craspedodroow, heeten bladeren met zijnerven, die van de hoofdnerf uit rechtlijnig naar den rand loopen en daar eindigen. Of zij loopen uit in de lobben en andere uitstekende doelen, of in de punten der zaagtanden aan den bladrand, zooals bij den Haze 1 aar, den Kik, en de Kastanjes, Haagbeuken en Ostri/a's, afgebeeld op blz. 321, in F'kj. 7, ofwel in de insnijdingen en inhammen van den rand als bij liartschia, Oogontroost (Kuphrasia), K-a tel (Alectorolophus of Iilnntntfhux), en 't algemeen bij alle Khinanthaceeën met gekartelde bladeren, zooals de afbeelding op blz. 321, in Fi<j. (>, laat zien.

De bladeren met zijnerven die handvormig zijn gerangschikt, dus do handnervige bladeren, vertoonen dergelijke verschillen als die, waarbij het verloop gevederd of gevind is. Betrekkelijk dikwijls zijn deze bladeren netnervig, zooals bij voorbeeld bij Geraniums en Malva's, bij Cercis Siliquastnun (do Judasboom) en vele Schermbloemigen, zooals de in F tg. 8 afgebeelde handnervige bladeren van een soort van Waternavel, llydrocotyle Asiatica. Bij eenige Waterlelies, Nymphaea' s, worden handnervige bladeren die lusnorvig zijn gevonden, en voor de Mel astomaceeën zijn boognervige bladeren zeer karakteristiek. Bij een der laatste, b. v. bij I'hyllagathis, waarvan een blad is afgebeeld op blz. 321 in 1''i</. 11, ontspringen de zijnerven aan den voet van de bladschijf uit de hoofdnerf en gaan in fraai gebogen lijnen ongeveer parallel aan den rand van bet blad naar den top. Van de eene zijnerf naar de andere, alsook naar de hoofdnerf loopen dan talrijke dwarse verbin-